ECLI:NL:CRVB:2008:BD0211
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op wezenuitkering na ontzetting uit ouderlijk gezag
Na het overlijden van de moeder in 2004 werd de vader uit het ouderlijk gezag over het kind [D.] ontzet. Het Bureau Jeugdzorg Noord Brabant vroeg namens het kind een wezenuitkering aan op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW).
De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat het kind niet ouderloos was in de zin van artikel 9 van Pro de ANW, aangezien de vader ten tijde van het overlijden het ouderlijk gezag bezat. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond voor [D.] maar gegrond voor het andere kind [S.] omdat de vader daar nooit het gezag had gehad.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep de uitspraak van de rechtbank. De Raad oordeelde dat de wettelijke voorwaarden voor een wezenuitkering niet waren vervuld voor [D.] en dat de Svb terecht heeft gehandeld. Er was geen reden om de bepalingen van de ANW extensiever uit te leggen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Geen recht op wezenuitkering voor het kind dat niet ouderloos is geworden omdat de vader het ouderlijk gezag had.