ECLI:NL:CRVB:2008:BD0296
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit verlaging WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering
Appellante, die sinds 1987 een WAO-uitkering ontvangt, werd in 2003 geconfronteerd met een verlaging van haar uitkering op basis van medische en arbeidskundige beoordelingen. Zij maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde dat de gehanteerde medische gegevens niet recent genoeg waren en dat haar beperkingen onvoldoende waren meegewogen, waaronder haar geringe lengte en psychische klachten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische gegevens, hoewel van vóór de herzieningsdatum, adequaat waren beoordeeld, en dat geringe lengte geen medische beperking vormt volgens de WAO. Psychische klachten werden als niet relevant voor de WAO-beoordeling beschouwd.
De Raad vond de arbeidskundige beoordeling eveneens voldoende onderbouwd en concludeerde dat de belastbaarheid van appellante niet werd overschreden door de geduide functies. Echter, het bestreden besluit voldeed niet aan het motiveringsvereiste van artikel 7:12 Awb Pro, omdat de nadere motivering pas in de beroepsfase werd gegeven.
Daarom vernietigde de Raad het besluit, maar liet de rechtsgevolgen ervan in stand. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot betaling van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het besluit tot verlaging van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens strijd met het motiveringsvereiste, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.