ECLI:NL:CRVB:2008:BD0567
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K. Zeilemaker
- R.H.M. Roelofs
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling woonplaats en ingangsdatum bijstand in geschil tussen Amsterdam en Almere
Appellante vroeg bijstand aan, waarbij discussie ontstond over haar woonplaats en de ingangsdatum van de bijstand. Hoewel zij stond ingeschreven in de GBA van Almere, verbleef zij feitelijk in Amsterdam. Het College van Amsterdam weigerde aanvankelijk haar aanvraag te accepteren vanwege haar inschrijving in Almere.
Na onderzoek en een rapport van bevindingen werd vastgesteld dat haar hoofdverblijf vanaf 1 augustus 2005 in Amsterdam was. Het College kende bijstand toe met ingang van die datum, maar niet eerder. Appellante stelde dat zij vanaf 1 februari 2005 bijstand behoefde, maar de Raad vond geen bewijs van een eerdere aanvraag en oordeelde dat het feitelijk verblijf leidend is.
De Raad overwoog verder dat het College geen domiciliegeschil met Almere hoefde aanhangig te maken over de aanvraag van 24 mei 2005, omdat deze aanvraag al was afgewezen. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en de Raad bevestigde deze uitspraak, waarbij de onduidelijkheid over de woonplaats voor rekening van appellante blijft.
Uitkomst: De bijstand wordt toegekend met ingang van 1 augustus 2005; het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard.