ECLI:NL:CRVB:2008:BD0908

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-941 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening wegens kennelijke misslag in medische beoordeling Ziektewetuitkering

Verzoeker heeft bij de Centrale Raad van Beroep verzocht om herziening van een eerdere uitspraak waarin zijn bezwaar tegen het beëindigen van zijn Ziektewetuitkering werd afgewezen. De uitkering was beëindigd omdat verzoeker geschikt werd geacht voor arbeid per 8 juni 2004.

Verzoeker stelde dat er sprake was van een kennelijke misslag omdat de Raad niet alle medische feiten juist had beoordeeld en niet op de hoogte was van bepaalde medische feiten. Hij meende dat deze feiten als nieuwe feiten konden worden aangemerkt en dat de Raad in strijd met het wettelijk kader had geoordeeld.

De Raad overwoog dat het rechtsmiddel van herziening niet bedoeld is voor een hernieuwde discussie over de zaak of de juistheid van de uitspraak, maar alleen voor nieuwe feiten of omstandigheden die voorheen niet bekend waren en tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden. De Raad oordeelde dat de vermeende kennelijke misslag niet als nieuwe feiten of omstandigheden kon worden aangemerkt en wees het verzoek om herziening af.

Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 23 april 2008.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen omdat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

07/941 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek van:
[verzoeker] (hierna: verzoeker),
om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 december 2006, 05/1069 ZW,
in het geding tussen
verzoeker
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 april 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens verzoeker heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 20 december 2006, 05/1069 ZW.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2008. Namens verzoeker is verschenen mr. De Jonge. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.
II. OVERWEGINGEN
Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 21 van Pro de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
De uitspraak van de Raad van 20 december 2006, waarvan herziening is verzocht, heeft betrekking op de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 december 2004, 04/2486. In deze uitspraak is het beroep van verzoeker tegen de beslissing op bezwaar van 8 juli 2004 ongegrond verklaard. In dat besluit heeft het Uwv zijn besluit van 15 juni 2004 gehandhaafd. Bij het besluit van 15 juni 2004 is verzoeker met ingang van 8 juni 2004 geschikt geacht voor zijn arbeid en is zijn uitkering ingevolge de Ziektewet per die datum beëindigd.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 20 december 2006, kort samengevat, geoordeeld dat het besluit van 8 juli 2004 berust op een zorgvuldige en adequate medische beoordeling.
Verzoeker stelt in zijn verzoekschrift, kort samengevat, dat in de uitspraak van 20 december 2006 sprake is van een kennelijk misslag omdat de Raad niet heeft onderkend dat de medische besluitvorming onzorgvuldig en kennelijk onjuist is geweest. Verzoeker meent dat de Raad een aantal medische feiten niet juist heeft beoordeeld en voorts kennelijk met een aantal medische feiten niet bekend was, omdat deze feiten in de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht niet tot uitdrukking komen. Nu bij verzoeker niet eerder bekend kon zijn dat deze feiten niet in de uitspraak werden meegenomen, is sprake van nieuwe feiten als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Awb. Verzoeker stelt zich bovendien op het standpunt dat de Raad heeft geoordeeld in strijd met het wettelijk kader en de eigen jurisprudentie.
Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 3 oktober 2003, LJN: AN7982, is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheden als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen.
De Raad is van oordeel, zo de kwalificatie kennelijke misslag in deze al juist zou zijn, hetgeen de Raad in het midden laat, dat hetgeen namens verzoeker in zijn verzoekschrift is gesteld niet als feiten of omstandigheden zoals omschreven in artikel 8:88 van Pro de Awb kan worden aangemerkt. Het verzoek om herziening dient daarom te worden afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en H.G. Rottier en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 april 2008.
(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.
(get.) E. de Bree.
JL