ECLI:NL:CRVB:2008:BD0937

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-4473 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening WAO-uitspraak wegens ontbreken nieuwe feiten

Verzoeker heeft bij de Centrale Raad van Beroep verzocht om herziening van een eerdere uitspraak inzake zijn WAO-uitkering. De oorspronkelijke uitspraak betrof de voortzetting van de WAO-uitkering in een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse na een uitspraak van de rechtbank Rotterdam.

Verzoeker stelde dat de Raad belangrijke medische gegevens niet had betrokken bij zijn beoordeling en dat de uitkomst anders zou zijn geweest indien deze gegevens wel waren meegewogen. Ter onderbouwing overhandigde hij onder meer een rapport van een verzekeringsarts uit 2007.

De Raad oordeelde dat het rechtsmiddel van herziening slechts openstaat indien sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die bij de eerdere uitspraak niet bekend waren en die tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden. Het aangevoerde rapport betrof echter een situatie na de beoordelingsdatum en kon daarom niet als nieuw feit worden aangemerkt.

De overige ingediende stukken waren reeds bekend of betroffen eveneens latere gezondheidsgegevens. Daarom concludeerde de Raad dat geen novum was aangetoond en wees het verzoek om herziening af. Een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.

Uitkomst: Het verzoek om herziening van de WAO-uitspraak wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

07/4473 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek van:
[verzoeker] (hierna: verzoeker),
om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 juli 2007, 05/2365 WAO,
in het geding tussen
verzoeker
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 april 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens verzoeker heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 6 juli 2007, 05/2365 WAO.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2008. Namens verzoeker zijn verschenen mr. De Jonge en zijn zoon H.B. Emekli. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevreden.
II. OVERWEGINGEN
Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 21 van Pro de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
De uitspraak van de Raad van 6 juli 2007, waarvan herziening is verzocht, heeft betrekking op de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 maart 2005, 04/510. In deze uitspraak heeft de rechtbank het beroep van verzoeker tegen het besluit op bezwaar van 6 februari 2004 gegrond verklaard en dat besluit, waarbij het Uwv zijn besluit van 11 februari 2003 had gehandhaafd, vernietigd. Bij het besluit van 11 februari 2003 had het Uwv bepaald dat de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ongewijzigd werd voortgezet naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25%. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien en bepaald dat de WAO-uitkering van appellant met ingang van 2 april 2003 wordt voortgezet naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 6 juli 2007, kort samengevat, geoordeeld dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de medische onderbouwing van het besluit van 6 februari 2004 en de uitspraak van 23 maart 2005 bevestigd.
Verzoeker stelt in zijn verzoekschrift, kort samengevat, dat de Raad belangrijke medische gegevens niet bij de beoordeling heeft betrokken, omdat dit niet uit de uitspraak van 6 juli 2007 blijkt. Verzoeker meent dat de uitslag anders zou zijn geweest als deze feiten wel c.q. anders waren beoordeeld. Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn claim een groot aantal stukken ingezonden waaronder een rapport van verzekeringsarts J.P. Janssen van 24 april 2007.
Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 3 oktober 2003, LJN: AN7982, is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheden als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen.
De Raad is van oordeel dat verzoeker geen feiten of omstandigheden zoals omschreven in artikel 8:88 van Pro de Awb heeft aangevoerd. De Raad stelt vast dat voormeld rapport van verzekeringsarts Janssen op zich een nieuw feit is. Echter, dit rapport is opgemaakt naar aanleiding van een melding in verband met toename van de klachten van verzoeker per 15 juli 2004 en bevat geen informatie die met betrekking tot de beoordelingsdatum 2 april 2003 als novum kan worden aangemerkt. De overige bij het verzoek om herziening gevoegde stukken bevonden zich reeds in het zaaksdossier of hebben eveneens betrekking op de gezondheidssituatie van verzoeker in 2004. Ook in die stukken zijn geen nova als hiervoor bedoeld aan te wijzen.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en H.G. Rottier en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 april 2008.
(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.
(get.) E. de Bree.
JL