ECLI:NL:CRVB:2008:BD1067
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verhoging WAO-uitkering ondanks overschrijding redelijke termijn
Appellant, geboren in 1948, was fabrieksarbeider en raakte arbeidsongeschikt na een bedrijfsongeval in 1970. Na diverse besluiten over de mate van arbeidsongeschiktheid, verzocht appellant in 2002 om verhoging van zijn WAO-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid. Het UWV stelde vast dat de medische beperkingen niet waren toegenomen en verhoogde de uitkering per datum van aanvraag met een wachttijd van 52 weken.
Appellant maakte bezwaar tegen de ingangsdatum van de verhoging en stelde dat deze een jaar eerder had moeten ingaan. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat de arbeidsongeschiktheid uitsluitend op arbeidskundige gronden was toegenomen en dat het UWV terecht de datum van aanvraag als uitgangspunt had genomen.
Verder stelde appellant dat eerdere verzoeken om verhoging niet waren behandeld, maar de Raad vond deze stelling onvoldoende onderbouwd en wees op rechtens onaantastbare besluiten uit die periode. Wel erkende de Raad dat de bezwaarprocedure langer dan redelijk was geduurd, maar dit was niet geheel te wijten aan het UWV, zodat geen schadevergoeding werd toegekend.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De verhoging van de WAO-uitkering gaat in op de datum van aanvraag met wachttijd; overschrijding redelijke termijn leidt niet tot schadevergoeding.