ECLI:NL:CRVB:2003:AI0140
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling redelijke termijn en arbeidsongeschiktheid bij intrekking AAW/WAO-uitkering
Appellant, voormalig medewerker in een rozenkwekerij, kreeg vanaf 7 februari 1992 AAW/WAO-uitkeringen toegekend wegens arbeidsongeschiktheid van 35-45%. Op 22 mei 1996 trok het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) deze uitkeringen in per 15 juli 1996, gebaseerd op medische en arbeidskundige beoordelingen die een arbeidsongeschiktheid van circa 13% vaststelden.
Appellant stelde beroep in tegen het intrekkingsbesluit. Diverse deskundigen, waaronder psychiaters en een reumatoloog, werden geraadpleegd. De rapporten verschilden in conclusies over de mate van arbeidsongeschiktheid en beperkingen, maar uiteindelijk oordeelden de deskundigen Koerselman en Schardijn dat appellant in staat was de hem voorgehouden functies te verrichten.
Appellant voerde onder meer aan dat de procedure te lang duurde, dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn oogproblemen en het verhoogde risico door medicatie, en dat onterecht functies met een LBO-opleidingseis aan hem werden voorgehouden. De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht de rapporten van Koerselman en Schardijn volgde, dat de procedurele termijnoverschrijding een schending van artikel 6 EVRM Pro opleverde, maar dat de gevolgen daarvan door de burgerlijke rechter moeten worden vastgesteld.
De Centrale Raad bevestigde het bestreden vonnis en wees toepassing van artikel 8:75 Awb Pro af. De uitspraak benadrukt de scheiding tussen bestuursrechtelijke vaststelling van termijnoverschrijding en civielrechtelijke beoordeling van eventuele schadevergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad bevestigt het besluit tot intrekking van de uitkering en oordeelt dat sprake is van termijnoverschrijding zonder gevolgen voor het bestuursrechtelijke oordeel.