ECLI:NL:CRVB:2008:BD1294
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering nabestaandenpensioen wegens niet-verplichte verzekering overleden echtgenoot
Appellante, woonachtig in Marokko, vordert een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) na het overlijden van haar echtgenoot, die in Nederland had gewerkt en een WAO-uitkering ontving. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat de echtgenoot ten tijde van overlijden niet verplicht verzekerd was onder de ANW en ook niet voor de vrijwillige verzekering was aangemeld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep herhaalde appellante haar stellingen, waaronder dat haar echtgenoot niet tijdig geïnformeerd was over het einde van de verplichte verzekering en de mogelijkheid tot vrijwillige verzekering. Tevens werd een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure gevorderd.
De Raad oordeelt dat het vervallen van de verplichte verzekering per 1 januari 2000 niet buiten toepassing kan worden gelaten op grond van internationale verdragen of het vertrouwensbeginsel. Wel is vastgesteld dat de procedure meer dan vijf jaar duurde, wat een schending van artikel 6 EVRM Pro inhoudt. De Svb wordt aansprakelijk gehouden voor de overschrijding in de bezwaarfase en moet appellante een immateriële schadevergoeding van €500 betalen.
De Raad vernietigt het bestreden besluit, verklaart het beroep gegrond, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Daarnaast veroordeelt de Raad de Svb tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd, appellante krijgt een immateriële schadevergoeding en proceskosten toegewezen, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.