ECLI:NL:CRVB:2008:BD1338

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-3069 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vergoeding voorzieningen op grond van lichamelijke klachten niet voortkomend uit vervolging

Appellante, geboren in 1932 in het voormalige Nederlands-Indië, diende in 1988 een aanvraag in op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Verweerster stelde in 1992 vast dat appellante geen vervolging in de zin van de Wet had ondergaan, maar stelde haar wel gelijk aan een vervolgde vanwege psychische klachten door oorlogservaringen.

In juni 2006 vroeg appellante een vergoeding voor thuiszorg, een rollator, een aangepaste stoel en badkameraanpassingen wegens verslechterde lichamelijke toestand. Verweerster wees dit af omdat de lichamelijke klachten niet voortvloeien uit de oorlogsomstandigheden maar uit andere aandoeningen.

De Raad oordeelt dat alleen psychische klachten die met vervolging verband houden als grondslag kunnen dienen voor vergoeding. De lichamelijke klachten van appellante vallen hier niet onder. Ook de door appellante genoemde gebeurtenis met een klap op het hoofd is reeds beoordeeld en valt niet onder de Wet. Er zijn geen nieuwe gegevens die tot een ander oordeel leiden.

De Raad verklaart het beroep ongegrond en wijst vergoeding van proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de gevraagde voorzieningen worden niet toegekend.

Uitspraak

07/3069 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante] (Spanje), (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 28 april 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft bij de Raad beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 30 maart 2007, onderwerp BZ 46791, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2008. Daar is appellante niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Naar aanleiding van een door appellante, geboren in 1932 in het voormalige Nederlands-Indië, in augustus 1988 ingediende aanvraag heeft verweerster bij na bezwaar genomen besluit van 7 december 1992 het standpunt ingenomen dat appellante geen vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan. Wel heeft verweerster toen aanleiding gezien haar met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet, met de vervolgde gelijk te stellen op de grond dat zij heeft verkeerd in met de vervolging vergelijkbare omstandigheden, te weten het afscheid nemen van en het omkomen van haar vader in krijgsgevangenschap. Hierbij is aanvaard dat de bij appellante aanwezige psychische klachten redelijkerwijs door of in verband met deze omstandigheden zijn ontstaan of verergerd.
1.2. In juni 2006 heeft appellante bij verweerster een vervolgaanvraag ingediend om - voor zover hier van belang - in aanmerking te worden gebracht voor een vergoeding van de kosten verbonden aan thuiszorg, aanschaf van een rollator en een aangepaste stoel alsmede aanpassingen in de badkamer. In dat verband heeft appellante aangevoerd dat haar lichamelijke toestand zodanig is verslechterd dat zij niet meer in staat is zichzelf te verzorgen en moeite heeft met lopen.
1.3. Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 24 oktober 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat de gevraagde voorzieningen niet medisch noodzakelijk zijn vanwege de aanvaarde psychische klachten van appellante, maar in verband staan met haar niet uit de oorlogsomstandigheden voortvloeiende lichamelijke aandoeningen.
2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen partijen in beroep hebben aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
2.1. Op grond van het bepaalde in artikel 20 van Pro de Wet komen voor vergoeding in aanmerking de ten laste van de vervolgde blijvende, vanwege de met de vervolging verband houdende ziekten of gebreken, noodzakelijke kosten van geneeskundige behandeling en verpleging en de daarmee verbonden extra kosten van noodzakelijke voorzieningen.
2.2. Zoals blijkt uit het gestelde onder 1.1. is appellante uitsluitend vanwege de bij haar bestaande psychische klachten met de vervolgde gelijkgesteld. Dat betekent dat, gelet op het bepaalde in artikel 20 van Pro de Wet, de lichamelijke klachten van appellante niet als grondslag kunnen dienen voor de gevraagde voorzieningen en dat verweerster de hier aan de orde zijnde voorzieningen terecht heeft afgewezen.
2.3. Voorzover appellante heeft gewezen op de gevolgen die zij ondervindt van een klap met een revolver op haar achterhoofd door een Japanner, overweegt de Raad dat verweerster deze gebeurtenis blijkens de gedingstukken bij de beoordeling van de onder 1.1. genoemde aanvraag al heeft meegewogen maar deze niet onder de werking van de Wet heeft kunnen brengen. Gegevens die thans tot een ander oordeel zouden dienen te leiden zijn niet ingebracht. Dat brengt met zich dat de (medische) gevolgen van de genoemde klap om die reden al niet bij de beoordeling van onderhavige aanvraag kunnen worden betrokken.
3. Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond.
4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 april 2008.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) M. van Berlo.
HD
28.04.