ECLI:NL:CRVB:2008:BD1367

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-2955 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58 WAZArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging toepassing artikel 58 WAZ op inkomsten uit verhuur van bedrijfspand

Appellant stelde in hoger beroep dat de inkomsten uit verhuur van zijn bedrijfspand niet als inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 58 van Pro de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) moesten worden aangemerkt. De rechtbank Alkmaar had eerder geoordeeld dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) deze inkomsten terecht als zodanig had gekwalificeerd, mede omdat appellant deze opbrengsten fiscaal als inkomsten uit arbeid had verantwoord en de fiscus dit had geaccepteerd.

De Centrale Raad van Beroep verwijst naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreid overzicht van de feiten en constateert dat de door appellant aangehaalde jurisprudentie niet van toepassing is op zijn situatie. De Raad benadrukt dat de jurisprudentie die appellant aanvoert betrekking heeft op andere situaties, zoals wanneer de fiscus opbrengsten uit verhuur als inkomsten uit vermogen classificeert, wat hier niet het geval is.

De Raad oordeelt dat het hoger beroep geen nieuwe relevante gezichtspunten bevat en dat de rechtbank de grieven van appellant voldoende heeft gemotiveerd en terecht heeft afgewezen. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die aanleiding geven tot een andere kwalificatie van de inkomsten. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd, en er is geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de kwalificatie van de inkomsten uit verhuur als inkomsten uit arbeid wordt bevestigd.

Uitspraak

06/2955 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 11 april 2006, 04/2210 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 14 april 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.F.M. Verheij, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2008. Appellant was vertegenwoordigd door mr. Verheij en het Uwv door E.C. van der Meer.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitgebreid overzicht van de feiten en omstandigheden in dit geding van belang verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.
In de aangevallen uitspraak is de rechtbank – voor zover hier van belang – tot het oordeel gekomen dat het beroep van appellant gericht tegen het besluit van 28 april 2005, waarbij in bezwaar is gehandhaafd een aantal besluiten tot toepassing van artikel 58 van Pro de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) en een besluit tot herziening van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ingevolge die wet per 1 januari 2001, ongegrond is. De rechtbank heeft hiertoe
– kort samengevat – overwogen dat het Uwv, gelet op de wijze waarop appellant de opbrengsten uit verhuur van een bedrijfspand fiscaal heeft verantwoord, deze opbrengsten – nu geen sprake is van bijzondere omstandigheden – terecht heeft aangemerkt als inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 58 van Pro de WAZ.
Partijen worden in hoger beroep slechts verdeeld gehouden over het antwoord op de vraag of de inkomsten uit verhuur van een bedrijfspand terecht zijn aangemerkt als inkomsten in de zin van artikel 58 van Pro de WAZ.
Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van hetgeen door hem reeds in beroep is aangevoerd. Nieuwe relevante gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht.
Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de grieven van appellant afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die grieven niet kunnen slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank genummerd 4.6 en 4.7 volledig.
De door appellant in hoger beroep aangehaalde jurisprudentie leidt niet tot een ander oordeel. Dit reeds omdat deze jurisprudentie niet ziet op de situatie als in geding dat de opbrengsten van verhuur van een bedrijfsruimte door appellant voor de fiscus als inkomsten uit arbeid zijn verantwoord en door de fiscus ook als zodanig zijn geaccepteerd. Twee van de door appellant aangehaalde uitspraken zien op gevallen waarin de fiscus de opbrengst uit verhuur als inkomsten uit vermogen heeft aangemerkt en het Uwv niettemin van opvatting was dat deze inkomsten dienden te worden aangemerkt als inkomsten uit arbeid. De derde door appellant aangehaalde uitspraak had slechts betrekking op de vraag of betrokkene als verzekerde in de zin van de WAZ kon worden aangemerkt.
Het standpunt van appellant dat de vaste jurisprudentie van de Raad ter zake van artikel 58 van Pro de WAZ slechts ziet op die situaties dat er een vrije keuzemogelijkheid bestaat inkomsten fiscaal te verantwoorden in Box I of in Box III vindt – daargelaten of in de fiscale systematiek zulke vrije keuzemogelijkheden voorkomen – geen steun in deze jurisprudentie.
Het hoger beroep treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak dient dan ook – voor zover aangevochten – te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van der Vos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 april 2008.
(get.) J. Brand.
(get.) M. van der Vos.
TM