ECLI:NL:CRVB:2008:BD1369

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-2390 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening uitspraak over WAO-aanspraken en rapport Instituut Psychosofia

Verzoekster heeft bij de Centrale Raad van Beroep verzocht om herziening van een eerdere uitspraak waarin haar aanspraken onder de WAO niet naar haar mening volledig waren erkend. Zij voerde aan dat de eerdere uitspraak onvoldoende was gemotiveerd en dat de jurisprudentie omtrent de rapporten van het Instituut Psychosofia niet juist was toegepast.

De Raad overwoog dat herziening slechts mogelijk is op basis van nieuwe feiten of omstandigheden die voorheen niet bekend waren en die tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden. Omdat verzoekster geen dergelijke nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd, kon geen hernieuwde discussie over de zaak worden gevoerd.

Daarom wees de Raad het verzoek tot herziening af en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 29 april 2008.

Uitkomst: Het verzoek om herziening van de eerdere uitspraak wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

07/2390 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek van:
[Verzoekster] (hierna: verzoekster),
om herziening van de uitspraak van de Raad van 16 maart 2007, 04/6545 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
verzoekster
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 29 april 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens verzoekster heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, verzocht om herziening van de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2008. Voor verzoekster is verschenen mr. De Jonge voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.
II. OVERWEGINGEN
Bij de aangevallen uitspraak, heeft de Raad, voor zover thans van belang, de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 november 2004, 04/298, vernietigd en het beroep tegen een door het Uwv op bezwaar genomen besluit van
20 januari 2004 ongegrond verklaard. Oordelend op het hoger beroep van verzoekster, heeft de Raad, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 13 april 2005 (LJN: AT4323), geoordeeld dat de kosten in verband met het in bezwaar ingebrachte rapport van Instituut Psychosofia niet voor vergoeding in aanmerking komen.
De gemachtigde van verzoekster heeft in het verzoekschrift aangegeven dat verzoekster zich niet kan verenigen met de aangevallen uitspraak, omdat haar aanspraken niet naar behoren zijn erkend. Zij acht herziening van de aangevallen uitspraak aangewezen omdat deze onvoldoende is gemotiveerd, onvoldoende rekening houdt met het wettelijk kader en in strijd is met de jurisprudentie van de Raad. Zij heeft een groot aantal argumenten aangevoerd omtrent de door de Raad gevormde jurisprudentie ter zake van de waarde van de rapporten uitgebracht door het Instituut Psychosofia, de waarde die naar haar mening aan deze rapporten behoort te worden toegekend en de wijze waarop naar haar mening door het Uwv en de Raad met deze rapporten dient te worden omgegaan.
De Raad overweegt als volgt.
Op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in verbinding met artikel 21 van Pro de Beroepswet, kan een onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad, op verzoek van een partij, worden herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Naar vaste jurisprudentie van de Raad, zoals deze blijkt uit onder andere zijn uitspraak van 3 oktober 2003 (LJN: AN7982) kan in het kader van het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening slechts worden beoordeeld of op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, in verbinding met artikel 21 van Pro de Beroepswet, herziening aangewezen is. Een – door de gemachtigde van verzoekster gewenste – hernieuwde discussie over de betrokken zaak en de juistheid van de aangevallen uitspraak kan in dit kader niet worden gevoerd.
Nu door de gemachtigde van verzoekster geen feit of omstandigheid in de zin van genoemd artikellid naar voren is gebracht, dient het verzoek om herziening te worden afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en H.G. Rottier en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 april 2008.
(get.) H. Bolt
(get.) I.R.A. van Raaij
CVG