ECLI:NL:CRVB:2008:BD1451

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-7351 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 WWArt. 67 WWArt. 8:68 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling overneming immateriële schadevergoeding onder Werkloosheidswet

Betrokkene was sinds 1991 in dienst bij een werkgever en werd in januari 2004 op non-actief gesteld. Na ontbinding van de arbeidsovereenkomst kende de kantonrechter een immateriële schadevergoeding toe van € 15.000 netto wegens aantasting van eer en goede naam. De werkgever ging failliet en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) nam enkele verplichtingen van de werkgever over, maar weigerde de immateriële schadevergoeding over te nemen.

De rechtbank oordeelde dat de schadevergoeding wel onder het loonbegrip van artikel 67 WW Pro valt en toerekenbaar is aan de periode genoemd in artikel 64 WW Pro, waardoor UWV de vergoeding moest overnemen. In hoger beroep stelde UWV dat de vergoeding betrekking had op een periode na het dienstverband en niet onder Hoofdstuk IV van de WW viel.

De Raad stelde vast dat de vergoeding betrekking heeft op de periode van non-actiefstelling tot het einde van het dienstverband en dat deze schadevergoeding toerekenbaar is aan de WW-periode. De Raad verwierp het standpunt dat de vergoeding gelijkgesteld moet worden met een ontbindingsvergoeding en bevestigde het oordeel van de rechtbank.

De Raad veroordeelde UWV tot betaling van proceskosten en bepaalde dat griffierecht geheven wordt. Hiermee werd het hoger beroep van UWV ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de immateriële schadevergoeding toerekenbaar is aan de WW-periode en onder Hoofdstuk IV van de WW valt.

Uitspraak

06/7351 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 24 november 2006, 05/1521 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Betrokkene] (hierna: betrokkene),
en
appellant.
Datum uitspraak: 23 april 2008.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Mr. H.K. Schillhorn van Veen, advocaat te Groningen, heeft namens betrokkene een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.J. Ambrosius, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Betrokkene is met voorafgaand bericht niet verschenen.
De Raad heeft het onderzoek in het geding met toepassing van artikel 8:68 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heropend. Vervolgens zijn namens betrokkene op verzoek van de Raad nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 12 maart 2008. Appellant, door de Raad opgeroepen om bij gemachtigde ter zitting te verschijnen, heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Klaver, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Betrokkene is, daartoe door de Raad opgeroepen, in persoon verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2.1. Betrokkene was vanaf 1 januari 1991 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd als Purchase & Logistics Manager werkzaam bij [werkgever] (hierna: de werkgever). Per 22 januari 2004 is betrokkene door de werkgever op non-actief gesteld. Op verzoek van betrokkene heeft de kantonrechter bij beschikking van 21 februari 2005 de arbeidsovereenkomst per 31 maart 2005 ontbonden onder toekenning ten laste van de werkgever van een aantal vergoedingen, waaronder een vergoeding ter zake van immateriële schade tot een bedrag van € 15.000,-- netto. Op 23 februari 2005 is de werkgever in staat van faillissement verklaard, waarna de curator op 24 februari 2005 de werknemers ontslag heeft aangezegd.
2.2. Naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag van betrokkene heeft appellant bij besluit van 1 juni 2005, zoals aangevuld bij besluit van 13 juni 2005, in het kader van Hoofdstuk IV van de WW een aantal verplichtingen van de werkgever overgenomen. Niet overgenomen is de verplichting van de werkgever tot het betalen van de immateriële schadevergoeding. Bij besluit van 10 oktober 2005 (het bestreden besluit), voor zover hier van belang, heeft appellant zijn besluit om deze schadevergoeding niet over te nemen gehandhaafd. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat de immateriële schadevergoeding niet valt onder de reikwijdte van Hoofdstuk IV van de WW. Schadevergoeding die wegens wanprestatie van de werkgever aan de werknemer is toegekend, valt weliswaar onder het loonbegrip van artikel 67 van Pro de WW, maar is pas opeisbaar na het einde van de dienstbetrekking en valt daarom buiten de perioden zoals bedoeld in artikel 64 van Pro de WW.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met beslissingen over proceskosten en griffierecht - het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant met inachtneming van haar uitspraak opnieuw op het bezwaar beslist. De rechtbank overwoog daartoe onder meer dat voor appellant doorslaggevend voor de afwijzing van de overneming is geweest dat de vordering wegens immateriële schadevergoeding, anders dan wegens wanprestatie, niet valt onder de reikwijdte van Hoofdstuk IV van de WW. Naar het oordeel van de rechtbank behoort tot loon als bedoeld in artikel 67 van Pro de WW tevens de door de kantonrechter aan de werkgever opgelegde verplichting tot vergoeding van schade, voor zover deze kan worden toegerekend aan de periode die valt in het tijdvak van artikel 64, aanhef en onder a, van de WW. Dat de grondslag van deze schadevergoeding is terug te voeren op vergoeding van immateriële schade en niet is gelegen in wanprestatie is naar het oordeel van de rechtbank voor de toepassing van Hoofdstuk IV van de WW voor de beoordeling van dit geschil niet van wezenlijk belang. Daargelaten of er ten principale voor de toepassing van Hoofdstuk IV van de WW een relevant verschil tussen beide grondslagen zou moeten worden aangenomen, is in de onderhavige casus tussen partijen immers niet in geschil dat de aanleiding voor de schadevergoeding is gelegen in de non- actiefstelling door de werkgever. De schadelijke gevolgen van die gedraging zijn in de procedure bij de kantonrechter bepaald op € 15.000, -- netto. De juridische kwalificatie van deze gedragingen acht de rechtbank niet van doorslaggevend belang voor de vraag of de schade als dan niet tot het loonbegrip kan worden gerekend. De rechtbank is met de gemachtigde van betrokkene van oordeel dat gelet op het bepaalde in artikel 64 van Pro de WW de in aanmerking te nemen periode 13 weken betreft. Van de vergoeding komt dan naar het oordeel van de rechtbank een evenredig deel van de in aanmerking te nemen periode - te rekenen van het moment van non-actiefstelling tot het door appellant in deze situatie toegepaste moment van opzegging - voor overneming in aanmerking.
4.1. Appellant heeft in hoger beroep het standpunt verlaten dat geen sprake is van loon in de zin van Hoofdstuk IV van de WW en eveneens dat de schadevergoeding pas opeisbaar is geworden op het moment dat de dienstbetrekking eindigde en daarom niet valt toe te rekenen aan een periode genoemd in artikel 64 van Pro de WW. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 18 januari 2006, LJN AV3597 gepubliceerd in RSV 2006/166, stelt appellant zich op het standpunt dat de schadevergoeding naar haar aard ziet op een periode na het beëindigen van het dienstverband, nu deze is toegekend om de gevolgen van het handelen van de werkgever voor de reputatie van betrokkene op te vangen. Daarbij doelt appellant op de omstandigheid dat het voor betrokkene als gevolg van het handelen van de werkgever moeilijker is geworden om na 30 maart 2005 werk op in alle opzichten gelijkwaardig niveau te verkrijgen. Vanaf het moment dat hij geen dienstverband meer heeft ondervindt betrokkene de geldelijke gevolgen van de schade aan zijn goede naam.
4.2. Betrokkene heeft zijn standpunt herhaald dat de vergoeding diende ter compensatie van de schade in de vorm van aantasting van zijn eer en goede naam die hij als gevolg van het slechte werkgeverschap heeft geleden, welke schade wordt geleden vanaf de datum van op non-actiefstelling.
5.1. De Raad, oordelende over de aangevallen uitspraak, overweegt het volgende.
5.2. Gelet op het hoger beroepschrift en het verhandelde ter zitting van 12 september 2007 stelt de Raad vast dat tussen partijen nog slechts in geschil is of de door de kantonrechter toegewezen immateriële schadevergoeding kan worden toegerekend aan de periode van artikel 64, aanhef en onder a, van de WW. Deze schade bestaat uit de aantasting door de werkgever van de eer en goede naam van betrokkene en is toegebracht vanaf 22 januari 2004, de datum waarop betrokkene door de werkgever wegens vermeende malversaties eerst op non-actief is gesteld en daarna is onderworpen aan een forensisch onderzoek, waarbij derden zijn betrokken en waarvan de conclusie luidt dat er geen aanwijzingen zijn dat betrokkene zich niet integer zou hebben gedragen. De vergoeding van die schade heeft de kantonrechter begroot op € 15.000,-- netto. Naar het oordeel van de Raad dient die schadevergoeding te worden toegerekend aan de periode van 22 januari 2004 tot 31 maart 2004, zodat het bedrag van € 15.000,-- netto naar evenredigheid betrekking heeft op de periode van artikel 64, aanhef en onder a, van de WW. Daarmee verwerpt de Raad het standpunt van betrokkene, waarvoor deze overigens geen argumenten heeft aangevoerd, dat die vergoeding in zijn geheel aan bedoelde periode moet worden toegerekend, evenals het standpunt van appellant dat die schadevergoeding gelijkgesteld moet worden met een ontbindingsvergoeding die naar haar aard betrekking heeft op de periode na het einde van de dienstbetrekking.
5.3. Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. De Raad acht termen aanwezig om appellant met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-- wegens verleende rechtsbijstand en € 40,38 aan reiskosten van betrokkene.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht wordt geheven van € 422,--;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 362,38 (€ 322,-- + € 40,38), te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 april 2008.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) P. Boer.
BvW