ECLI:NL:CRVB:2008:BD1556
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Beëindiging herleving WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag tijdens proeftijd
Appellant ontving vanaf 1 juli 2003 een WW-uitkering gebaseerd op een arbeidspatroon van 30 uur per week. Vanaf 7 april 2004 werkte hij tijdelijk 20 uur per week bij een werkgever, maar werd bij brief van 26 mei 2004 met onmiddellijke ingang ontslagen. Het ontslag volgde na een meningsverschil over het bruto-nettoloontraject, met name de toepassing van de heffingskorting.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat appellant door eigen toedoen passend werk was kwijtgeraakt, waarmee hij zijn verplichtingen uit artikel 24 WW Pro niet was nagekomen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het ontslag tijdens de proeftijd zonder verwijt was gegeven en dat het geschil over loonheffing niet vaststond. Tevens stelde hij dat het UWV-onderzoek onzorgvuldig was.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat het geschil over loonheffing aannemelijk was en dat appellant door eigen toedoen passend werk had verloren. Het onderzoek door het UWV was zorgvuldig en appellant had voldoende gelegenheid gehad te reageren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de beëindiging van de herleefde WW-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De herleefde WW-uitkering wordt beëindigd wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag tijdens de proeftijd vanwege een geschil over loonheffing.