ECLI:NL:CRVB:2008:BD1571

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/1660 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingenArt. 8:75 Algemene wet bestuursrechtWerkloosheidswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van aflossingscapaciteit in terugvorderingsbesluit WW

Appellante was het niet eens met het door het UWV vastgestelde maandelijkse termijnbedrag van €162,31 voor de terugbetaling van een WW-terugvordering van €17.790,56. Na bezwaar stelde het UWV het termijnbedrag vast, waarna de rechtbank dit besluit bevestigde. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het termijnbedrag onduidelijk was en dat zij financieel niet in staat was het bedrag te betalen. Tevens bekritiseerde zij de periode 2004-2006 waarin het UWV geen contact had opgenomen over de invordering.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het verschil in termijnbedrag in de uitspraak een kennelijke verschrijving betrof en corrigeerde dit. Hoewel het UWV minder zorgvuldig had gehandeld door de invorderingstermijn te laten verlopen zonder actie, was dit geen reden om het besluit te vernietigen. De Raad vond dat het UWV de aflossingscapaciteit op juiste wijze had vastgesteld op basis van de verstrekte financiële gegevens.

Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen vergoeding van proceskosten toegekend. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 5 maart 2008.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

07/1660 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 7 maart 2007, 06/1667 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 5 maart 2008.
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 23 januari 2008. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.B. Froentjes, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2.1. De Raad verwijst voor een meer uitgebreide weergave van de feiten naar hetgeen daarover in de aangevallen uitspraak is vermeld, en volstaat hier met het volgende.
2.2. Bij besluit van 22 februari 2006 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij het bedrag van € 17.790,56, dat zij op grond van een - in rechte onaantastbaar geworden - terugvorderingsbesluit van 26 juni 1997 aan het Uwv is verschuldigd, moet voldoen in maandelijkse termijnen van € 193,81, totdat de hele vordering is voldaan. Het tegen het besluit van 22 februari 2006 ingediende bezwaar is bij besluit van 7 juni 2006 (hierna: bestreden besluit) gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat het termijnbedrag is vastgesteld op € 162,31 per maand.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat appellante de vastgestelde aflossingscapaciteit niet inhoudelijk heeft bestreden en dat niet is gebleken dat het Uwv deze onjuist heeft vastgesteld.
4. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij niet begrijpt waarom in de aangevallen uitspraak is vermeld dat zij maandelijks € 163,21 moet voldoen, terwijl in het bestreden besluit een bedrag van € 162,31 is vermeld. Zij stelt tevens dat het, gelet op haar financiële situatie, voor haar niet mogelijk is maandelijks € 162,31 te betalen. Ook heeft zij aangevoerd het zeer onzorgvuldig te vinden dat het Uwv van 2004 tot 2006 met betrekking tot de invordering niets van zich heeft laten horen.
5.1. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank moet worden gevolgd in haar oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
5.2. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend, en overweegt daartoe het volgende.
5.3. De Raad constateert met appellante dat er in de aangevallen uitspraak bij de weergave van het bestreden besluit een onjuist bedrag is vermeld en wijt dit aan een kennelijke verschrijving. Het in de aangevallen uitspraak vermelde bedrag van € 163,21 moet worden gelezen als € 162,31.
5.4. Dat het Uwv van 2004 tot 2006 heeft gewacht met het vaststellen van een nieuw termijnbedrag acht de Raad weliswaar minder zorgvuldig, maar dit levert geen grond op voor het oordeel dat het bestreden besluit om die reden moet worden vernietigd.
5.5. Op grond van de beschikbare gegevens, waaronder de door appellante op verzoek van het Uwv verstrekte informatie over haar sociale en financiële omstandigheden, en het verhandelde te zijner zitting, is de Raad van oordeel dat het Uwv op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan artikel 6 van Pro de Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen, en in het bestreden besluit de aflossingscapaciteit van appellante op juiste wijze heeft berekend.
5.6. Op grond van het vorenstaande komt de Raad dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2008.
(get.) M.A. Hoogeveen
(get.) M.B. de Gooijer
RH