AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoofdelijke aansprakelijkheid voor premies bij inlening personeel door failliet loonbedrijf
Belanghebbenden exploiteerden tuinbouwbedrijven en maakten tussen 2000 en 2003 gebruik van personeel van een failliet verklaard loonbedrijf voor eenvoudige productiewerkzaamheden. Het UWV stelde hen hoofdelijk aansprakelijk voor premies die het loonbedrijf niet had betaald. De rechtbank had deze besluiten vernietigd omdat onvoldoende was aangetoond dat het loonbedrijf in gebreke was.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde dat sprake was van inlening van personeel en dat het UWV terecht de aansprakelijkheid op grond van artikel 16a, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering baseerde. De Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de besluiten vernietigde op grond van artikel 16a, zevende lid, omdat deze kwestie niet aan de rechtbank was voorgelegd en het artikel geen openbare orde bepaling is.
Verder oordeelde de Raad dat het UWV terecht het loon heeft gebruteerd naar het anoniementarief vanwege het ontbreken van loonadministratie bij het failliete loonbedrijf. Het bewijsaanbod van belanghebbenden werd verworpen wegens gebrek aan concretisering. De Raad vernietigde de aangevallen uitspraken en verklaarde de beroepen ongegrond, waarbij ook de proceskostenveroordeling van de rechtbank werd vernietigd.
Uitkomst: De beroepen van belanghebbenden worden ongegrond verklaard en de besluiten van het UWV worden gehandhaafd.
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
tegen de uitspraken van de rechtbank `s-Gravenhage van 27 juni 2007, 06/2785, 06/2781, 06/2787, 06/2777, 06/2775 en 06/2778 (hierna: aangevallen uitspraken),
in de gedingen tussen
belanghebbenden
en
Uwv
Datum uitspraak: 29 april 2008.
I. PROCESVERLOOP
Belanghebbenden en het Uwv hebben hoger beroep ingesteld.
Door partijen zijn verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2008. Belanghebbenden hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. D.Th.J. van der Klei, advocaat te Den Haag. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de wettelijke bepalingen zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Belanghebbenden exploiteren tuinbouwbedrijven. In de periode van 2000 tot en met 2003 hebben belanghebbenden drie of meer jaren gebruik gemaakt van personeel van [A.] h/o [naam loonbedrijf] (hierna: [A.]) voor het verrichten van eenvoudige productiewerkzaamheden. [A.] is op 4 februari 2004 failliet verklaard.
Bij besluiten van 8 augustus 2005 heeft het Uwv belanghebbenden op grond van artikel 16a, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de betaling van een deel van de door [A.] over de jaren 2000 tot en met 2003 verschuldigde premies.
Bij besluiten van 1 maart 2006 heeft het Uwv de tegen de besluiten van 8 augustus 2005 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraken de tegen de besluiten van 1 maart 2006 ingestelde beroepen - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en de besluiten van 8 augustus 2005 herroepen. Daartoe heeft de rechtbank allereerst overwogen dat de feiten en omstandigheden wijzen op inlening van personeel, zodat het Uwv terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 16a, eerste lid, van de CSV. De rechtbank is evenwel van oordeel dat belanghebbenden niet voor de door [A.] verschuldigde (voorschot)premies hadden kunnen worden aangesproken, nu onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat [A.] ten tijde hier in geding met de betaling van deze premies in gebreke is gebleven. Hiermee heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 16a, zevende lid, van de CSV.
Partijen hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraken gekeerd.
De Raad ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of in het onderhavige geval sprake is geweest van inlening van personeel. De rechtbank heeft die vraag in de aangevallen uitspraken bevestigend beantwoord. De Raad verenigt zich met dit oordeel en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Met de rechtbank stelt de Raad vast dat door [A.] aan belanghebbenden personeel ter beschikking werd gesteld voor werkzaamheden die op uurbasis werden afgerekend en welke werkzaamheden ook door de eigen werknemers van belanghebbenden werden uitgevoerd. Daaraan voegt de Raad nog toe dat [A.] in het handelsregister staat ingeschreven als uitzendbureau. Het vorenstaande brengt de Raad tot het oordeel dat het Uwv de hoofdelijke aansprakelijkheidstelling terecht heeft gebaseerd op artikel 16a, eerste lid, van de CSV. In hetgeen in de hoger beroepen - bij wijze van herhaling van het gestelde in de beroepen - is aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunt gevonden om hier anders over te oordelen.
De Raad stelt voorts, ambtshalve oordelend, vast dat in de beroepen bij de rechtbank geen grieven zijn aangevoerd die betrekking hebben op de vraag of [A.] in gebreke was met de betaling van de (voorschot)premie. Ook zijn geen grieven aangevoerd die als zodanig hadden moeten worden opgevat. De vraag of de hoofdelijke aansprakelijkheid in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 16a, zevende lid, van de CSV viel derhalve buiten de omvang van de aan de rechtbank voorgelegde geschillen. Nu artikel 16a, zevende lid, van de CSV geen bepaling van openbare orde is waaraan de rechtbank ambtshalve diende te toetsen, is de Raad van oordeel dat de rechtbank daaraan geen bevoegdheid kon ontlenen om dit artikel aan haar uitspraken ten grondslag te leggen. Door hierover niettemin een oordeel te geven en op basis daarvan de besluiten van 1 maart 2006 te vernietigen en de besluiten van 8 augustus 2005 te herroepen, heeft de rechtbank in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 8:69 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uit het voorgaande volgt dat de hoger beroepen van het Uwv – zij het op andere dan de aangevoerde gronden – slagen.
Met betrekking tot de hoger beroepen van belanghebbenden is de Raad voorts van oordeel dat het Uwv op goede gronden de loonbetaling op het tijdstip van uitbetaling heeft gebruteerd naar het anoniementarief. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat [A.] blijkens de rapporten van de looninspectie d.d. 21 april 2005 en 4 augustus 2005 geen loonadministratie heeft bijgehouden. Onder die omstandigheden is het niet mogelijk de achterwege gebleven inhoudingen achteraf op de werknemers te verhalen, in welke situatie er van uit wordt gegaan dat het loon als nettoloon is uitbetaald. Nu vanwege het ontbreken van de administratie van [A.] niet kan worden vastgesteld aan wie loonbetalingen zijn gedaan, is terecht gebruteerd naar het anoniementarief. De hiertegen aangevoerde grieven brengen de Raad niet tot een ander oordeel.
Voor de stelling dat de belastingdienst geen naheffingsaanslagen aan [A.] heeft opgelegd, is geen enkele aanwijzing in het dossier te vinden, zodat de Raad die stelling passeert. Ook in de overige voor het merendeel niet nader onderbouwde grieven ziet de Raad geen aanleiding voor het oordeel dat de besluiten van 1 maart 2006 geen stand kunnen houden. De grief dat de rechtbank ten onrechte aan het door belanghebbenden gedane bewijsaanbod tot het horen van getuigen voorbij is gegaan, kan reeds niet slagen, nu dit aanbod niet nader is geconcretiseerd door vermelding van namen en woonplaatsen van getuigen. De Raad ziet in hoger beroep ook geen aanleiding om op dit bewijsaanbod in te gaan. Het stond belanghebbenden overigens vrij zelf getuigen mee te brengen ter zitting. In hoger beroep zijn belanghebbenden hierop bij brief van 12 december 2007 gewezen, doch de Raad stelt vast dat zij om hun moverende redenen hiervan hebben afgezien.
Uit het vorenstaande volgt dat de hoger beroepen van belanghebbenden niet slagen.
Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraken voor vernietiging in aanmerking komen en dat de Raad, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, de beroepen tegen de besluiten van 1 maart 2006 ongegrond zal verklaren. De door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling kan ook geen stand houden. De Raad komt derhalve niet toe aan bespreking van de door het Uwv aangevoerde grieven omtrent de hoogte van deze veroordeling. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraken;
Verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en E.J.M. Heijs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 april 2008.