ECLI:NL:CRVB:2008:BD1615
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstandsuitkering wegens verwijtbare werkloosheid ondanks medische omstandigheden
Appellant was sinds 1999 bedrijfsleider bij een werkgever en verscheen vanaf december 2004 zonder opgave van redenen niet meer op het werk. Na herhaalde schriftelijke oproepen werd hij op staande voet ontslagen. Het UWV weigerde zijn WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid. Vervolgens vroeg appellant een bijstandsuitkering aan, die het College met 50% werd verlaagd voor twee maanden wegens eigen toedoen.
Appellant bracht een neuropsychologisch rapport in dat beperkingen constateerde die mogelijk verband houden met een chronische aandoening, maar de Raad oordeelde dat deze medische gegevens onvoldoende waren om de verwijtbaarheid te verminderen. De Raad nam mee dat de psychiatrische aandoening pas na het arbeidsconflict was ontstaan en dat de beperkingen mogelijk het gevolg waren van het ontslag en inkomensverlies.
De Raad concludeerde dat appellant tekortschietend besef van verantwoordelijkheid toonde door niet te reageren op oproepen en daardoor verwijtbaar werkloos werd. De opgelegde sanctie was in overeenstemming met de wettelijke bepalingen en er waren geen dringende redenen om hiervan af te wijken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de verlaging van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: De verlaging van de bijstandsuitkering met 50% voor twee maanden wegens verwijtbare werkloosheid wordt bevestigd.