ECLI:NL:CRVB:2008:BD1621
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingezetenschap en ingangsdatum AOW-pensioen in hoger beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank die het bezwaar tegen het besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) deels gegrond verklaarde en de Svb opdroeg een nieuw besluit te nemen over de ingangsdatum van zijn AOW-pensioen.
De kern van het geschil betreft de vraag of appellant tussen oktober 1995 en maart 2000 als ingezetene van Nederland kan worden beschouwd, wat bepalend is voor zijn verzekeringsstatus voor de AOW. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende is gebleken dat appellant in die periode ingezetene was, mede omdat hij zich niet in de Gemeentelijke Basis Administratie had ingeschreven en onvoldoende sociale en economische binding met Nederland kon aantonen.
De Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat appellant onvoldoende bewijs heeft geleverd om zijn ingezetenschap aannemelijk te maken. Een enkele huurovereenkomst en bankafschriften zijn onvoldoende, zeker nu appellant de Svb niet in de gelegenheid stelde zijn woonsituatie nader te onderzoeken. De Raad wijst het beroep af en bevestigt dat het AOW-pensioen ingaat per december 2001, niet eerder.
De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 24 april 2008.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit van 9 januari 2006 wordt bevestigd.