ECLI:NL:CRVB:2008:BD1761
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- H.G. Rottier
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Beoordeling inkomsten uit magnetiseurwerkzaamheden voorafgaand aan arbeidsongeschiktheidsuitkering
Appellante, geboren in 1945, was arbeidsongeschikt en ontving een WAO-uitkering. Het geschil betrof de vraag of zij vóór het intreden van haar arbeidsongeschiktheid al inkomsten had uit haar werkzaamheden als magnetiseur. Het UWV had dit ontkend en haar bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam oordeelde dat appellante onvoldoende bewijs had geleverd dat zij vóór juli 1987 inkomsten genoot als magnetiseur, mede omdat de ingebrachte stukken geen bewijs van betaalde werkzaamheden bevatten.
In hoger beroep handhaafde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelde dat het bewijs van het bestaan van inkomsten uit zelfstandige werkzaamheden bij appellante lag. Uit eerdere verklaringen en formulieren bleek dat appellante toen nog niet als zelfstandige werkte, maar zich pas later oriënteerde op het zelfstandig ondernemerschap. Ook de verklaringen van derden en een krantenartikel konden niet overtuigend aantonen dat zij al vóór haar arbeidsongeschiktheid betaalde werkzaamheden als magnetiseur verrichtte.
De Raad concludeerde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij vóór het intreden van haar arbeidsongeschiktheid inkomsten genoot uit haar magnetiseurpraktijk. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij vóór haar arbeidsongeschiktheidsuitkering inkomsten genoot uit werkzaamheden als magnetiseur.