ECLI:NL:CRVB:2008:BD1926

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 mei 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-6036 ANW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 34, eerste lid, aanhef en onder c, ANWArt. 35 ANWArt. 36, tweede lid, ANWArt. 37 ANWArt. 6, derde lid, Controlevoorschriften ANW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging halfwezenuitkering wegens niet overleggen levensbewijs van zoon in het buitenland

Appellant ontving een halfwezenuitkering voor zijn zoon die in de Verenigde Staten woont. De Sociale verzekeringsbank (Svb) heeft de uitkering geschorst en later beëindigd omdat appellant niet voldeed aan het verzoek om een levensbewijs van zijn zoon te overleggen.

Appellant stelde dat hij alles had gedaan om het levensbewijs te verkrijgen, maar dat de familie in de Verenigde Staten niet meewerkte. Hij kon dit echter niet met bewijsstukken onderbouwen. De Raad overwoog dat uit een mail van de Nederlandse ambassade bleek dat de zoon zelf op eenvoudige wijze een levensbewijs kon verkrijgen.

De Raad concludeerde dat appellant niet had voldaan aan de controlevoorschriften en dat de Svb terecht de uitkering had beëindigd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De halfwezenuitkering werd terecht beëindigd wegens het niet overleggen van een levensbewijs van de zoon in het buitenland.

Uitspraak

06/6036 ANW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 september 2006, 05/2424 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 15 mei 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J. Wattilete, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2008. Appellant is daarbij, met kennisgeving, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal.
II. OVERWEGINGEN
Appellant heeft een halfwezenuitkering ontvangen voor zijn zoon [naam zoon], geboren [in] 1987. Bij besluit van 5 augustus 2004 heeft de Svb de betaling van de halfwezenuitkering geschorst, omdat appellant niet had gereageerd op diverse verzoeken van de Svb om een levensbewijs van [naam zoon] te verstrekken. In dit besluit is medegedeeld dat als niet binnen drie maanden wordt gereageerd de halfwezenuitkering beëindigd zal worden.
Namens appellant is vervolgens medegedeeld dat geen levensbewijs van [naam zoon] verstrekt kan worden, omdat de familie bij wie [naam zoon] in de Verenigde Staten verblijft niet bereid is mee te werken een zodanig bewijs te verkrijgen. Bij besluit van 5 januari 2005 heeft de Svb de aan appellant toegekende halfwezenuitkering per 31 augustus 2004 beëindigd. Het namens appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 25 maart 2005 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Namens appellant is ook in hoger beroep aangevoerd dat hij alles heeft gedaan om een levensbewijs van [naam zoon] te verkrijgen, maar dat al zijn pogingen geen resultaat hebben gehad.
De Raad overweegt het volgende.
In artikel 34, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene nabestaandenwet (ANW) is bepaald dat de Svb het besluit tot toekenning van een uitkering herziet of intrekt indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 35, 36, tweede lid, of 37 van de ANW ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat. Voorts is in artikel 6, derde lid, van de Controlevoorschriften ANW, bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de ANW, bepaald dat wanneer een kind in het buitenland woont de nabestaande op verzoek van de Svb een door een bevoegde autoriteit gewaarmerkt levensbewijs van het kind over moet leggen.
Vaststaat dat de Svb vanaf december 2003 diverse keren aan appellant heeft verzocht een levensbewijs van [naam zoon] over te leggen en dat appellant vervolgens niet een levensbewijs van [naam zoon] heeft overgelegd. Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat appellant niet heeft aangetoond of aannemelijk gemaakt dat hem terzake geen verwijt kan worden gemaakt. Zijn stelling dat sprake is van overmacht heeft appellant namelijk op geen enkele wijze onderbouwd met stukken waaruit de gestelde weigerachtige houding van de familie in de Verenigde Staten zou kunnen blijken. Uit het enige namens appellant overgelegde bewijsstuk, een mailbericht van de Nederlandse ambassade te Washington DC aan de advocaat van appellant, blijkt overigens dat [naam zoon] een levensbewijs inmiddels ook zelf op betrekkelijk eenvoudige wijze kan verkrijgen.
De Raad is derhalve van oordeel dat nu appellant niet heeft voldaan aan het controlevoorschrift een levensbewijs van [naam zoon] over te leggen de Svb terecht heeft besloten om de halfwezenuitkering op grond van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder c, van de ANW te beëindigen per 31 augustus 2004.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en F.A.M. Stroink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2008.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M. Pijper.
OA0605