ECLI:NL:CRVB:2008:BD1958
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens rolstoelvoorziening
Appellante had bij de gemeente Beuningen een rolstoel aangevraagd en verkregen, hetgeen al in de bezwaarprocedure duidelijk was. Desondanks werd hoger beroep ingesteld tegen CZ, de rechtsopvolger van de zorgverzekeraar, die later alsnog een machtiging voor rolstoelvervoer verleende voor de periode van 1 juni 2005 tot en met 31 mei 2007.
Na intrekking van het hoger beroep verzocht appellante CZ te veroordelen in de proceskosten en griffierecht. CZ stelde dat appellante hem pas na het instellen van het hoger beroep had geïnformeerd over de toegekende rolstoel door de gemeente, waardoor het hoger beroep voorkomen had kunnen worden.
De Raad oordeelde dat uit de gedingstukken bleek dat dit al in de bezwaarprocedure duidelijk was, waardoor CZ niet ontvankelijk was in dit verweer. Daarom werd CZ veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 322,--. Voor het griffierecht werd verwezen naar artikel 22, vijfde lid, van de Beroepswet. De uitspraak werd gedaan door J.N.A. Bootsma op 13 mei 2008.
Uitkomst: CZ wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 322,-- na intrekking van het hoger beroep.