ECLI:NL:CRVB:2008:BD1958

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 mei 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-2215 ZFW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 21 BeroepswetArt. 22, vijfde lid, Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens rolstoelvoorziening

Appellante had bij de gemeente Beuningen een rolstoel aangevraagd en verkregen, hetgeen al in de bezwaarprocedure duidelijk was. Desondanks werd hoger beroep ingesteld tegen CZ, de rechtsopvolger van de zorgverzekeraar, die later alsnog een machtiging voor rolstoelvervoer verleende voor de periode van 1 juni 2005 tot en met 31 mei 2007.

Na intrekking van het hoger beroep verzocht appellante CZ te veroordelen in de proceskosten en griffierecht. CZ stelde dat appellante hem pas na het instellen van het hoger beroep had geïnformeerd over de toegekende rolstoel door de gemeente, waardoor het hoger beroep voorkomen had kunnen worden.

De Raad oordeelde dat uit de gedingstukken bleek dat dit al in de bezwaarprocedure duidelijk was, waardoor CZ niet ontvankelijk was in dit verweer. Daarom werd CZ veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 322,--. Voor het griffierecht werd verwezen naar artikel 22, vijfde lid, van de Beroepswet. De uitspraak werd gedaan door J.N.A. Bootsma op 13 mei 2008.

Uitkomst: CZ wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 322,-- na intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

06/2215 ZFW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 maart 2006, 05/4263 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
Onderlinge Waarborgmaatschappij Centrale Zorgverzekeraars groep, Zorgverzekeraar U.A., gevestigd te Tilburg, als rechtsopvolger van OWM Centrale Zorgverzekeraars, groep Ziekenfonds U.A. (hierna: CZ)
Datum uitspraak: 13 mei 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.J. van Dijk, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 20 september 2007 heeft mr. Van Dijk namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht CZ te veroordelen in de proceskosten en vergoeding van het griffierecht.
CZ heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van Pro de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
De Raad stelt vast dat CZ, met het verlenen van een machtiging voor rolstoelvervoer voor de periode van 1 juni 2005 tot en met 31 mei 2007, alsnog geheel aan appellante tegemoet is gekomen.
CZ stelt zich op het standpunt gesteld dat er desondanks geen aanleiding is voor een veroordeling in de proceskosten, omdat appellante CZ er pas op 4 mei 2006 - dat is nadat hoger beroep was ingesteld - van in kennis heeft gesteld dat de gemeente Beuningen haar aanvraag van 3 juni 2005 om een rolstoel heeft toegekend. Als zij dit eerder had gedaan had appellante het hoger beroep eenvoudig kunnen voorkomen.
De Raad kan CZ hierin niet volgen reeds op grond van het feit dat blijkens de gedingstukken al in de fase van bezwaar duidelijk was dat appellante bij de gemeente Beuningen een rolstoel had aangevraagd en verkregen.
De Raad ziet dan ook aanleiding om CZ te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 322,--.
Voor wat betreft het verzoek tot vergoeding van het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht kan zij zich ingevolge artikel 22, vijfde lid, van de Beroepswet tot gedaagde wenden, voorzover het griffierecht niet reeds spontaan door CZ aan haar is vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Veroordeelt CZ in de kosten van appellante tot een bedrag van € 322,--, te betalen door de OWM Centrale Zorgverzekeraars groep, Zorgverzekeraar U.A. aan de griffier van de Raad.
Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2008.
(get.) J.N.A. Bootsma.
(get.) R.B.E. van Nimwegen.
OA0608