ECLI:NL:CRVB:2008:BD2238
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- R. Kooper
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag uitkering wegens ziekte na beëindiging wachtgeld
Appellant was tot 1 maart 1999 gerechtigd tot een wachtgelduitkering na beëindiging van zijn tijdelijk dienstverband bij de politieregio. Hij was tussen juli 1998 en januari 1999 arbeidsongeschikt verklaard wegens psychiatrische aandoeningen, waarna hij volledig arbeidsgeschikt werd verklaard. Na het einde van het wachtgeld op 7 september 1999 heeft appellant niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van twee jaar een aanvraag voor een uitkering wegens ziekte ingediend.
Appellant stelde dat hij door zijn psychiatrische toestand niet in staat was zich ziek te melden en dat zijn advocaat naliet de juiste stappen te ondernemen. De rechtbank en de Raad onderzochten de medische stukken en concludeerden dat er onvoldoende bewijs was dat appellant geheel niet in staat was om zich ziek te melden in de relevante periode. Rapporten uit 1999 toonden wel problemen, maar niet van dien aard dat handelen onmogelijk was.
De Raad oordeelde dat het niet tijdig indienen van de aanvraag voor rekening en risico van appellant komt, mede omdat hij tijdens detentie al aan zijn advocaat vroeg naar zijn rechten. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd wegens niet tijdig ingediende aanvraag voor uitkering wegens ziekte.