ECLI:NL:CRVB:2008:BD2396
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- C.P.M. van de Kerkhof
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding bij intrekking WAO-uitkering
Appellant kreeg zijn WAO-uitkering ingetrokken per 26 december 2005 omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% werd geacht. Tegen dit besluit maakte hij bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. Appellant stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de beroepstermijn.
In hoger beroep betoogde appellant dat zijn vader niet als gemachtigde optrad en dat hij zelf door zijn psychische toestand het besluit wel kon begrijpen maar niet zelfstandig adequaat kon reageren. De Raad stelde vast dat appellant niet onder curatele of bewind stond en dat hij voldoende inzicht had om hulp in te roepen. De verwarring van zijn vader over de machtiging in een andere procedure was onvoldoende om de termijnoverschrijding te verontschuldigen.
De Raad concludeerde dat geen verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding aanwezig was en bevestigde daarom de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. Hiermee blijft het besluit van het UWV om de WAO-uitkering in te trekken ongewijzigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding.