ECLI:NL:CRVB:2008:BD2405
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over WW-uitkering wegens niet tijdige aanvraag door werkgever
In deze zaak gaat het om een werkgever die namens zijn werknemers een WW-uitkering heeft aangevraagd wegens vorstverlet in de winter 2001/2002. Het UWV wees de aanvraag af omdat deze niet binnen de wettelijke termijn van 26 weken was ingediend. De werkgever maakte bezwaar, maar het UWV verklaarde dit ongegrond en achtte de werkgever als belanghebbende.
De rechtbank verklaarde het beroep van de werkgever ongegrond en oordeelde dat er geen bijzonder geval was dat de termijnoverschrijding rechtvaardigde. De Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak en het bestreden besluit omdat de werkgever niet als belanghebbende kan worden aangemerkt en de rechtbank het beroep ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard.
De Raad stelt vast dat de aanvraag namens de werknemers is gedaan en dat het UWV alsnog op het bezwaar moet beslissen. Ook oordeelt de Raad dat het UWV terecht niet heeft verlangd dat de werkgever schriftelijke machtigingen van de werknemers overlegt voor het maken van bezwaar. Tenslotte is er geen sprake van een bijzonder geval dat de termijnoverschrijding rechtvaardigt. Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten en moet het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van de werkgever wordt gegrond verklaard, het besluit van het UWV vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.