Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2465

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 mei 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/5125 WW en 06/6441 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:73a AwbArt. 21 BeroepswetArt. 22, vijfde lid Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten en wettelijke rente na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming UWV

Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch inzake een geschil met het UWV over een uitkeringsbesluit. Tijdens de procedure nam het UWV een nieuw besluit op bezwaar waarin het bezwaar van appellante geheel werd gehonoreerd, waarna appellante het hoger beroep introk.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV, vanwege de volledige tegemoetkoming, veroordeeld kon worden tot vergoeding van de proceskosten die appellante in hoger beroep had gemaakt. Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over de nabetaling van de uitkering, met ingang van 1 juni 2005.

De Raad verwees voor de berekening van de rente naar eerdere jurisprudentie en wees erop dat appellante zich rechtstreeks tot het UWV kan wenden voor vergoeding van het griffierecht, indien dat niet reeds spontaan is vergoed. De uitspraak werd gedaan door rechter C.P.J. Goorden op 14 mei 2008.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en wettelijke rente over de nabetaling.

Uitspraak

06/5125 WW en 06/6441 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:75a en 8:73a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 17 juli 2006, 06/20 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 14 mei 2008.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.H. Knigge, ten tijde van het instellen van het hoger beroep werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Namens appellante is vervolgens beroep ingesteld tegen de nieuwe beslissing op bezwaar van het Uwv van 21 juli 2006.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2007. Appellante en haar gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen. Het Uwv, vanwege de Raad opgeroepen om bij gemachtigde te verschijnen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad aan het Uwv vragen gesteld.
Op 7 december 2007 heeft het Uwv een nieuw besluit op bezwaar genomen.
Naar aanleiding daarvan heeft mr. Knigge het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten en van de wettelijke rente over de nabetaling.
Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van Pro de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
De Raad stelt vast dat mr. Knigge namens appellante het hoger beroep heeft ingetrokken, omdat het Uwv met het besluit van 7 december 2007 alsnog geheel tegemoet is gekomen aan het bezwaar van appellante en dat het Uwv, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 juni 2005 alsnog gegrond heeft verklaard en de beslissing op bezwaar van 21 juli 2006 heeft ingetrokken en tot vergoeding van de wettelijke rente zal overgaan. Namens appellante is een verzoek om veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellante gedaan.
Nu het Uwv niet heeft betwist dat aldus geheel aan appellante is tegemoetgekomen, ziet de Raad aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante.
Aangezien de rechtbank ’s-Hertogenbosch bij de aangevallen uitspraak reeds ten aanzien van de proceskosten in beroep heeft beslist, staan slechts de in hoger beroep gemaakte kosten ter beoordeling. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
Het verzoek van appellante om het Uwv met toepassing van artikel 8:73a van de Awb te veroordelen tot vergoeding van renteschade kan worden ingewilligd, in dier voege dat het Uwv de wettelijke rente dient te vergoeden over de nabetaling van de uitkering en dat de ingangsdatum van de rente wordt gesteld op 1 juni 2005. Voor de verdere berekening wordt verwezen naar ’s-Raads uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB1495, RSV 1996/182 en JB 95/314.
Voorts merkt de Raad op dat uit het bepaalde in artikel 22, vijfde lid, van de Beroepswet volgt dat appellante zich met een verzoek om vergoeding van het betaalde griffierecht rechtstreeks tot het Uwv kan wenden, voorzover het griffierecht niet reeds spontaan door het Uwv is vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van renteschade als hierboven is weergegeven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 322,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2008.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) R.B.E. van Nimwegen.
RH
15/5