ECLI:NL:CRVB:2008:BD2486

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 mei 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-3943 TW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 49 WAOArt. 2, eerste lid, onder a TWArt. 4a TWArt. 5, eerste lid, ILO-conventie 118Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging recht op Toeslagenwet-uitkering na bereiken 65 jaar

Betrokkene, geboren op 26 juni 1938, ontving een WAO-uitkering aangevuld met een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) terwijl hij in Turkije verbleef. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) had de toeslag afgebouwd vanwege het langdurige verblijf in het buitenland, wat betrokkene betwistte. Eerder had de Raad de afbouw van de toeslag wegens het verblijf in Turkije onrechtmatig verklaard op grond van ILO-conventie 118.

In 2003 beëindigde het Uwv de toeslag per 1 juli 2003, omdat betrokkene op 26 juni 2003 de leeftijd van 65 jaar bereikte en daarmee niet langer voldeed aan de voorwaarden voor een WAO-uitkering en dus ook geen recht meer had op een toeslag op grond van de TW. Betrokkene maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het Uwv werd afgewezen. De rechtbank vernietigde dit besluit echter.

In hoger beroep stelt het Uwv dat betrokkene vanaf 1 juni 2003 geen recht meer had op de toeslag vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat dit standpunt juist is en vernietigt de eerdere uitspraak van de rechtbank. Het beroep tegen het besluit van het Uwv wordt ongegrond verklaard, waarmee het recht op toeslag per 1 juli 2003 komt te vervallen.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot beëindiging van de toeslag wordt ongegrond verklaard en het recht op toeslag vervalt per 1 juli 2003.

Uitspraak

05/3943 TW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 mei 2005, kenmerk 03/5383 (hierna: de aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
het Uwv
en
[betrokkene], Turkije (hierna: betrokkene).
Datum uitspraak: 14 mei 2008
I. PROCESVERLOOP
Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft geen verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft op 21 juni 2007 plaatsgevonden. Voor het Uwv is verschenen A. Anandbahadoer. Betrokkene is niet verschenen.
Na de behandeling van het geding ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. In verband hiermee heeft de Raad besloten het onderzoek te heropenen. Het Uwv heeft op verzoek van de Raad bij brief van 11 september 2007 nadere stukken overgelegd. Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege kan blijven, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt het Uwv in deze procedure in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder verweerder eveneens verstaan het Lisv.
Betrokkene, geboren op 26 juni 1938, heeft in Nederland werkzaamheden verricht. In verband met arbeidsongeschiktheid is aan hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO) toegekend, aangevuld met een uitkering ingevolge de Toeslagenwet (TW). Betrokkene is met behoud van deze uitkering naar Turkije teruggekeerd.
Bij besluit van 28 november 2000 heeft het Uwv aan betrokkene medegedeeld dat zijn recht op toeslag in drie jaar zou worden afgebouwd ingevolge de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU) omdat hij langer dan drie maanden in Turkije verbleef. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en beroep ingesteld. In zijn uitspraak van 14 maart 2003 LJN AF5937, heeft de Raad de afbouw van de toeslag in strijd geacht met het bepaalde in artikel 5, eerste lid van Conventie 118 betreffende gelijkheid van behandeling van eigen onderdanen en vreemdelingen op het gebied van de sociale zekerheid van 28 juni 1962, Trb 1964, 23 (hierna ILO-conventie 118). Bij besluit van 3 september 2003 heeft het Uwv aan betrokkene de bedragen die sedert 1 januari 2001 in mindering waren gebracht op de uitkering alsnog uitbetaald onder vergoeding van de wettelijke rente. Bij hetzelfde besluit is aan betrokkene medegedeeld dat de toeslag ingevolge artikel 4a van de TW per 1 juli 2003 werd beëindigd. Op 19 september 2003 heeft betrokkene bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij besluit van 28 oktober 2003 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het bestreden besluit op 30 mei 2004 vernietigd.
In beroep stelt het Uwv zich (onder meer) op het standpunt dat betrokkene vanaf 1 juni 2003 geen recht meer heeft op toeslag op grond van de TW op grond van artikel 49 WAO Pro juncto artikel 2, eerste lid en onder a TW wegens het bereiken van de 65-jarige leeftijd.
De Raad overweegt als volgt.
In dit geding is aan de orde de vraag of betrokkene op 1 juli 2003 aanspraak kon doen gelden op een uitkering ingevolge de Toeslagenwet. De Raad stelt vast dat betrokkene op 26 juni 2003 65 jaar is geworden, waardoor hij op grond van artikel 49 WAO Pro op 1 juni 2003 niet langer voldeed aan de voorwaarden om aanspraak te kunnen maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de WAO. Mitsdien had hij ingevolge artikel 2, eerste lid en onder a, TW per 1 juni 2003 evenmin recht op een uitkering op grond van de TW. Het Uwv heeft derhalve terecht vastgesteld dat appellant op 1 juli 2003 geen aanspraak meer kon maken op een uitkering ingevolge de TW.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, waarbij het tegen bestreden besluit ingestelde beroep gegrond is verklaard, voor vernietiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Beslist wordt mitsdien als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2008.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) C. de Blaeij.
OA1508