ECLI:NL:CRVB:2008:BD2821
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende onderzoek naar arbeidsongeschiktheid
Appellant was werkzaam als medewerker in een amusementscentrum en ontving een WAO-uitkering die later werd ingetrokken. Na een auto-ongeval meldde appellant zich ziek met klachten van een whiplash en psychische problemen. Het UWV beëindigde het ziekengeld per 11 oktober 2004 en weigerde een WAO-uitkering omdat appellant niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt zou zijn geweest.
Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat ook psychische klachten, waaronder een depressieve stoornis, onvoldoende waren meegewogen. De bezwaarverzekeringsarts handhaafde het oordeel dat appellant geschikt was voor zijn werk. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht het ziekengeld beëindigde, maar dat het besluit tot weigering van de WAO-uitkering onrechtmatig was omdat het UWV niet had onderzocht of appellant voldeed aan de voorwaarden van artikel 43a van de WAO. Daarom vernietigde de Raad het besluit tot weigering van de WAO-uitkering en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd, het besluit tot weigering van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het UWV wordt verplicht een nieuw besluit te nemen.