ECLI:NL:CRVB:2008:BD2899

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 mei 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-235 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 AbwArt. 54 WWBArt. 58 WWBArt. 65 AbwArt. 4:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens voltijdse studie

Appellante ontving bijstand vanaf 1997, maar het College trok deze bijstand in over de periode van september 1997 tot en met maart 2001 vanwege haar voltijdse inschrijving aan een hogeschool. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad stelde vast dat appellante inderdaad voltijds was ingeschreven gedurende de genoemde periode, waarbij verklaringen van onderwijsinstellingen onvoldoende waren om dit te betwisten. Appellante had bovendien niet tijdig haar inschrijving gemeld, waarmee zij haar inlichtingenplicht schond.

Het College was bevoegd de bijstand in te trekken en de kosten terug te vorderen op grond van de WWB en de Algemene bijstandswet. De Raad oordeelde dat het College redelijk heeft gehandeld en dat er geen bijzondere omstandigheden waren om van het beleid af te wijken.

Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.

Uitspraak

07/235 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 december 2006, 05/5394 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)
Datum uitspraak: 27 mei 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. G.L. Gijsberts, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2008. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Gijsberts. Het College heeft zich, met kennisgeving, niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante ontvangt, met een onderbreking van 1 september 1998 tot 8 maart 1999, vanaf 21 juli 1997 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van een in november 2003 ontvangen anonieme tip, heeft de Afdeling Bijzonder Onderzoek nader onderzoek verricht en in dat verband onder meer navraag gedaan bij de Informatie Beheer Groep (IBG). Van de zijde van de IBG is medegedeeld dat appellante van september 1997 tot en met maart 2001 een voltijdse studie heeft gevolgd aan een instelling in het hoger onderwijs en in maart 2001 het diploma Sociaal Juridische Dienstverlening heeft behaald.
Gelet op deze bevindingen heeft het College bij besluit van 2 februari 2005 de bijstand over de periode van 1 september 1997 tot en met 31 maart 2001 ingetrokken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 35.719,89 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 16 juni 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 2 februari 2005 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 juni 2005 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij onder meer overwogen dat het College terecht heeft aangenomen dat appellante in de in geding zijnde periode geen recht had op bijstand nu haar voor werkzaamheden beschikbare tijd voor ten minste 19 uur per week in beslag werd genomen door of in verband met het volgen van onderwijs of van een beroepsopleiding.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In artikel 9, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Algemene bijstandswet (Abw) was ten tijde hier van belang onder meer bepaald dat geen recht op algemene bijstand heeft degene die onderwijs of een beroepsopleiding volgt als bedoeld in hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering (vanaf 1 september 2000: de Wet studiefinanciering 2000).
Uit vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraken van 24 maart 2004, LJN AO6396, en 30 januari 2001, LJN AJ9761) volgt dat - uitsluitend - de inschrijving bepalend is voor het van toepassing zijn van voornoemde bepaling.
Op grond van de door het College ontvangen informatie van de IBG staat naar het oordeel van de Raad in voldoende mate vast dat appellante ten tijde hier van belang als voltijds student ingeschreven heeft gestaan. De door appellante overgelegde verklaringen van de Hogeschool Leiden en de Hogeschool InHolland maken dit niet anders, nu deze verklaringen geen betrekking hebben op de vraag of appellante als voltijds student stond ingeschreven. Het bepaalde in artikel 9, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Abw stond dan ook in de weg aan bijstandsverlening aan appellant van 1 september 1997 tot en met 31 maart 2001.
Appellante had onverwijld en uit eigen beweging mededeling behoren te doen van haar inschrijving als voltijds student. Door dit niet te doen heeft zij de ingevolge artikel 65 van Pro de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. De Raad verwerpt de stelling van appellante dat zij met haar bijstandsconsulent had afgesproken dat zij haar studie niet hoefde te melden, nu deze stelling op geen enkele wijze is onderbouwd en de Raad overigens ongeloofwaardig voorkomt. Voorts acht de Raad in dit verband van belang dat appellante op de ingevulde heronderzoek- en aanvraagformulieren de vraag “volgt u op dit moment een opleiding?” altijd ontkennend heeft beantwoord.
Gelet op het voorgaande was het College bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand in te trekken over de periode van 1 september 1997 tot en met 31 maart 2001. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College bij afweging van de hierbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking van de bijstand.
Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover deze tot een te hoog bedrag is verleend. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met zijn ter zake van terugvordering gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, van het beleid had moeten afwijken.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, zij het met verbetering van gronden, dient te worden bevestigd.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2008.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) A. Badermann.
OA