ECLI:NL:CRVB:2008:BD3204
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Beëindiging halfwezenuitkering wegens belangrijke bijdrage derden aan onderhoud pleegkind
Betrokkene vroeg een halfwezenuitkering aan na het overlijden van de vader van zijn pleegkind. De Sociale verzekeringsbank kende de uitkering toe, maar beëindigde deze later omdat Pleegzorg Friesland aanzienlijk bijdroeg aan het levensonderhoud van het kind. Betrokkene voerde aan dat de pleegzorgvergoeding slechts een onkostenvergoeding was en dat hij zelf ook bijdroeg aan het onderhoud, en verzocht om een afbouwregeling.
De Raad overwoog dat het begrip 'zorg dragen als ware hij ouder' in de ANW niet iedere verzorger als nabestaande aanwijst, maar alleen degene die als ouder zorg draagt en het kind duurzaam in zijn huishouden heeft, zonder dat derden in belangrijke mate bijdragen aan het onderhoud. De beleidsregels van appellant sloten hierop aan, waarbij een pleeggeldvergoeding als een belangrijke bijdrage van derden werd gezien.
De Raad oordeelde dat appellant bevoegd was om het begrip nader in te vullen en bevestigde dat betrokkene niet als nabestaande kan worden aangemerkt vanwege de substantiële bijdrage van Pleegzorg Friesland. Wel achtte de Raad het toepassen van een afbouwregeling passend en vernietigde het bestreden besluit op dat punt. De Raad veroordeelde appellant tot vergoeding van proceskosten en bepaalde dat een nieuw besluit op bezwaar moet worden genomen.
Uitkomst: De halfwezenuitkering is terecht beëindigd wegens belangrijke bijdrage derden aan het onderhoud, maar het besluit wordt vernietigd vanwege het ontbreken van een afbouwregeling.