ECLI:NL:CRVB:2008:BD3531
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- R. Kruisdijk
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering WAZ-uitkering bij toepassing artikel 58 WAZ
Appellant, directeur-grootaandeelhouder, ontving een WAZ-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 45-55%. Het UWV stelde op basis van inkomensgegevens vast dat appellant feitelijk geen inkomensverlies leed en paste artikel 58 van Pro de WAZ toe, waardoor de uitkering werd ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf 14 maart 2002. Tevens werd onverschuldigd betaalde uitkering teruggevorderd.
Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten en voerde onder meer aan dat het UWV onterecht met terugwerkende kracht had gehandeld, dat sprake was van een ongeclausuleerde toezegging en dat het verbod van willekeur was geschonden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat appellant redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van de invloed van zijn inkomsten op de uitkering en dat het UWV terecht artikel 58 WAZ Pro met terugwerkende kracht toepaste. De terugvordering was gegrond op artikel 63 WAZ Pro. Ook het bezwaar dat het UWV geen medisch en arbeidskundig onderzoek had verricht voor de periode na 14 maart 2005 werd verworpen, omdat een dergelijk onderzoek alleen vereist is bij duidelijke aanwijzingen van verslechtering.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraken en wees de grieven van appellant af. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De intrekking en terugvordering van de WAZ-uitkering waren rechtmatig en in overeenstemming met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt afgewezen; de intrekking en terugvordering van de WAZ-uitkering zijn rechtmatig.