ECLI:NL:CRVB:2008:BD3539

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-6466 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand voor opslagkosten huisraad na huisuitzetting

Appellant verzocht bijzondere bijstand voor de kosten van opslag van zijn huisraad en goederen na een huisuitzetting. Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert wees dit verzoek af, omdat de kosten niet als noodzakelijk werden beschouwd. De voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond verklaarde het beroep van appellant ongegrond.

Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, die de zaak op 3 juni 2008 behandelde. De Raad stelde vast dat de huisuitzetting het gevolg was van eigen toedoen van appellant, waardoor de kosten van opslag niet als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) konden worden aangemerkt.

De Raad onderschreef het oordeel van de voorzieningenrechter en bevestigde de afwijzing van de bijzondere bijstand. Er waren geen bijzondere omstandigheden die de aanvraag rechtvaardigden. Appellant kon geen nieuwe gronden aandragen die tot een ander oordeel leidden. De Raad wees ook de vordering tot proceskosten af.

Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor opslagkosten huisraad wordt bevestigd wegens gebrek aan noodzakelijke kosten.

Uitspraak

06/6466 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond van 2 november 2006, 06/1686 en 06/1434 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert (hierna: College)
Datum uitspraak: 3 juni 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 13 mei 2008, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 10 maart 2006 heeft het College de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand in de kosten van opslag van zijn huisraad en goederen afgewezen.
Bij besluit van 29 juni 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 10 maart 2006 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 juni 2006 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In dit geding is de vraag aan de orde of de afwijzing door het College van de door appellant gevraagde bijzondere bijstand voor de kosten van de opslag van zijn huisraad en goederen in rechte stand kan houden.
De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter van de rechtbank is er geen sprake van noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) omdat er sprake is van een huisuitzetting door eigen toedoen van appellant en hij die kosten derhalve over zichzelf heeft afgeroepen. De Raad onderschrijft het in de aangevallen uitspraak vervatte oordeel van de voorzieningenrechter van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust en maakt deze tot de zijne.
In het geval van appellant is dan ook geen sprake van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB, zodat het College de onderhavige aanvraag van appellant terecht en op goede gronden heeft afgewezen.
In hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht ziet de Raad geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door. A.B.J. van der Ham. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2008.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) N.L.E.M. Bynoe.
AR