ECLI:NL:CRVB:2008:BD3680

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 mei 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-441 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring hoger beroep bijzondere bijstand epilatiekosten

Appellant verzocht op 16 november 2004 om bijzondere bijstand voor de kosten van epilatie met een flashlightlamp. Het College wees deze aanvraag op 4 november 2005 af en verklaarde het bezwaar op 10 februari 2006 ongegrond. De rechtbank Rotterdam bevestigde dit bij uitspraak van 3 januari 2007. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

Tijdens de zitting op 15 april 2008 verklaarde de gemachtigde van appellant dat het College op een latere aanvraag wel positief had beslist en dat appellant in de tussenliggende periode geen kosten had gemaakt. Hierdoor ontbrak volgens de gemachtigde een materieel procesbelang bij de beoordeling van de eerdere afwijzing, en was het enige belang nog gelegen in een proceskostenveroordeling.

De Raad overwoog dat het proceskostenbelang niet op zichzelf kan leiden tot ontvankelijkheid, conform vaste rechtspraak. Aangezien appellant geen ander belang had bij de beoordeling, verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd, mede omdat het positieve latere besluit niet betekent dat het College in de eerdere procedure aan appellant tegemoet is gekomen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan materieel procesbelang.

Uitspraak

07/441 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 januari 2007, 06/1075 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 27 mei 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A. den Arend–de Winter, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg.nr. 07/440, plaatsgevonden op 15 april 2008, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Den Arend-de Winter en waar het College zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. H.H. Nicolai, werkzaam bij de gemeente Rotterdam. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Op 16 november 2004 heeft appellant verzocht om bijzondere bijstand in de kosten van epilatie door middel van een flashlightlamp. Bij besluit van 4 november 2005 heeft het College deze aanvraag afgewezen.
Bij besluit van 10 februari 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 4 november 2005 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 februari 2006 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant verklaard dat op een latere aanvraag van appellant om bijzondere bijstand in de kosten van epilatie door middel van een flashlightlamp door het College positief is beslist en dat appellant over de voorliggende periode geen kosten voor een dergelijke behandeling heeft gemaakt. Voorts heeft de gemachtigde van appellant verklaard dat appellant in verband daarmee geen materieel procesbelang meer heeft bij de beoordeling door de Raad van de aangevallen uitspraak en dat het enige procesbelang van appellant is gelegen in een proceskostenveroordeling.
Naar het oordeel van de Raad kan het belang bij de beoordeling van de aangevallen uitspraak niet zijn gelegen in de mogelijkheid tot het verkrijgen van een veroordeling in gemaakte proceskosten, aangezien de bevoegdheid van de administratieve rechter tot een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet is beperkt tot gevallen waarin het beroep gegrond wordt verklaard. De Raad verwijst naar zijn vaste rechtspraak ter zake (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 februari 1997, LJN ZB6628). Nu de gemachtigde van appellant heeft verklaard dat appellant overigens geen enkel belang heeft bij de beoordeling van de aangevallen uitspraak door de Raad, zal de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Hij neemt daarbij in aanmerking dat de omstandigheid dat het College positief heeft beslist op een latere aanvraag van appellant om bijzondere bijstand in de kosten van epilatie door middel van een flashlight lamp niet impliceert dat het College in de onderhavige procedure aan appellant is tegemoet gekomen.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2008.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) A. Badermann.
AR