ECLI:NL:CRVB:2008:BD3803
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Beoordeling privaatrechtelijke dienstbetrekking gastdames en verzekeringsplicht
Appellante exploiteerde een privé-huis waar gastdames werkzaam waren. Het UWV stelde op basis van onderzoek dat tussen appellante en de gastdames een privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond, met alle elementen zoals gezagsverhouding, loonbetaling en persoonlijke arbeidsverrichting. De rechtbank bevestigde dit en legde premieplichten op aan appellante.
Appellante voerde aan dat er geen dienstbetrekking was en dat de gastdames zelfstandigen waren. De Raad volgde de rechtbank echter in haar oordeel dat er sprake was van een geordende en geïntegreerde organisatie met sturing, toezicht, tariefstellingen en een verplichting tot persoonlijke arbeid. De gastdames waren gebonden aan regels en maakten gebruik van voorzieningen van appellante.
De Raad oordeelde dat ondanks het ontbreken van een gemeentelijke vergunning, appellante toezicht moest houden en dat de inkomsten van de gastdames als loonbetalingen met een contraprestatie moesten worden beschouwd. Het beroep van appellante tegen het besluit van het UWV werd gegrond verklaard vanwege de wijze van brutering, maar de kern van het besluit bleef gehandhaafd.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten aan appellante en bevestigde dat appellante premies sociale verzekeringen verschuldigd was. De uitspraak onderstreept het belang van de feitelijke arbeidsrelatie boven de formele kwalificatie door partijen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de gastdames in privaatrechtelijke dienstbetrekking stonden tot appellante en dat zij premies sociale verzekeringen moet afdragen, maar vernietigt het besluit over de brutering.