ECLI:NL:CRVB:2008:BD4738
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van bezwaren tegen UWV-besluiten wegens termijnoverschrijding
Appellante maakte bezwaar tegen meerdere besluiten van het UWV inzake de korting en terugvordering van WAZ-uitkeringen. De rechtbank oordeelde dat het bezwaar niet tijdig was ingediend en verklaarde de bezwaren niet-ontvankelijk. Appellante stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte geen ontvankelijkheid had vastgesteld en dat zij tijdig bezwaar had gemaakt.
De Raad stelde vast dat het bezwaar pas op 10 juni 2005 door het UWV was geregistreerd, terwijl de bezwaartermijn op 7 juni 2005 was verstreken. Appellante kon geen geloofwaardige verklaring geven voor het ontbreken van een ontvangstbewijs bij het indienen van het bezwaar op 27 april 2005. Ook waren er geen gedragsbepalende toezeggingen van het UWV die de termijnoverschrijding konden rechtvaardigen.
Verder oordeelde de Raad dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel had gegeven over de bezwaren tegen de besluiten I en II. Deze besluiten dateren uit 2002 en de bezwaren daartegen waren eveneens te laat ingediend zonder verschoonbare reden. De Raad vernietigde het bestreden besluit en stelde in de plaats daarvan dat alle bezwaren niet-ontvankelijk zijn. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De bezwaren van appellante tegen de UWV-besluiten worden niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.