ECLI:NL:CRVB:2008:BD5194
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van eigen risicodragerschap en WAO-uitkeringsverhaal door UWV
Appellante is per 1 juli 2002 eigen risicodrager geworden voor de betaling van WAO-uitkeringen. Een werknemer, in dienst van 17 april 2001 tot 18 september 2001, heeft op 4 juni 2003 een WAO-uitkering aangevraagd met een eerste arbeidsongeschiktheidsdag vastgesteld op 13 augustus 2001. Het UWV heeft de uitkering vanaf 12 augustus 2002 toegekend en voorgeschoten, waarna het deze kosten bij appellante in rekening bracht.
Appellante voerde aan dat zij niet op de hoogte was van de toekenning en dat de werknemer zich nooit ziek had gemeld, en stelde dat bijzondere omstandigheden toepassing van artikel 75a WAO in de weg stonden. De Raad oordeelde dat het bezwaar tegen de toekenning van de WAO-uitkering geen schorsende werking heeft en dat het eigen risicodragerschap vanaf 1 juli 2002 geldt. De vermeende late kennisgeving en onwetendheid vormen geen bijzondere omstandigheden die afwijken van de dwingendrechtelijke bepalingen rechtvaardigen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank die het beroep ongegrond verklaarde en wees een proceskostenveroordeling af. Hiermee blijft appellante gehouden tot vergoeding van de door het UWV voorgeschoten WAO-uitkering aan de werknemer vanaf de ingangsdatum van het eigen risicodragerschap.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante als eigen risicodrager gehouden is tot betaling van de WAO-uitkering vanaf 12 augustus 2002.