ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0127
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- C.P.M. van de Kerkhof
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Betalingsverplichting eigenrisicodragende werkgever voor WAO-uitkering bevestigd
De zaak betreft hoger beroep van een werkgever tegen uitspraken van de rechtbank Rotterdam over de betalingsverplichting van een WAO-uitkering aan een werknemer die arbeidsongeschikt werd na een busongeval.
De werkgever was sinds 1 januari 2002 eigenrisicodragend en werd door het UWV verplicht om de WAO-uitkering aan de werknemer te betalen. De werkgever betwistte dit en voerde onder meer strijd met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel aan, omdat zij niet tijdig op de hoogte was gesteld van de toekenning van de uitkering.
De Raad oordeelde dat de mededeling van het UWV aan de werkgever een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht is en dat de betalingsverplichting voortvloeit uit dwingendrechtelijke bepalingen van de WAO. De werkgever had een eigen onderzoeksplicht en kon ook op andere wijze kennis nemen van de uitkering. Het beroep op algemene beginselen van behoorlijk bestuur werd verworpen.
Verder vernietigde de Raad een eerdere uitspraak van de rechtbank die het verhaalsbesluit van het UWV op de werkgever deels had vernietigd, en verklaarde het beroep tegen dat verhaalsbesluit ongegrond. De Raad bevestigde dat het UWV de uitkering mocht verhalen omdat de werkgever niet aan haar betalingsverplichting had voldaan.
De uitspraak benadrukt de dwingendrechtelijke aard van artikel 75a van de WAO en bevestigt dat de werkgever als eigenrisicodrager verantwoordelijk is voor betaling van de WAO-uitkering, ook als zij niet tijdig op de hoogte was gesteld van de toekenning.
Uitkomst: De werkgever is verplicht de WAO-uitkering te betalen en het UWV mag deze verhalen bij niet-betaling.