ECLI:NL:CRVB:2008:BD5476
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WAO-uitkering ondanks bezwaar appellant
Appellant ontving een WAO-uitkering die vanaf 15 juni 2003 werd verlaagd vanwege inkomsten uit arbeid, waarbij het UWV een korting toepaste op basis van artikel 44 van Pro de WAO. Appellant maakte bezwaar tegen de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen over de periode van 15 juni 2003 tot april 2005.
De rechtbank oordeelde dat de terugvordering terecht was en dat er geen dringende redenen waren om hiervan af te zien. Appellant voerde aan dat hij het UWV tijdig had geïnformeerd en dat de terugvordering onredelijk was gezien zijn financiële situatie en de vertraging in de vaststelling van zijn inkomsten.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde dat appellant niet mocht vertrouwen op de voorlopige uitkering als definitief en dat het UWV terecht artikel 44 toepaste Pro met terugwerkende kracht. Ook werd geoordeeld dat de financiële situatie van appellant geen dringende reden vormt om de terugvordering te weigeren.
De Raad wees verder op het belang van rechtszekerheid en de wettelijke verplichting tot terugvordering van onverschuldigde betalingen. Het beroep van appellant werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van onverschuldigd betaalde WAO-uitkering en wijst het beroep van appellant af.