ECLI:NL:CRVB:2008:BD5808
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. Van Male
- H.C.P. Venema
- T. van Peijpe
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing vergoeding zittend ziekenvervoer wegens onbillijkheid hardheidsclausule
Appellante lijdt aan een chronische huidaandoening die behandeling in het UMC Utrecht vereist, waarvoor zij zittend ziekenvervoer met een eigen aangepaste auto gebruikt. Zij vroeg vergoeding aan, die door VGZ werd afgewezen op grond van de Regeling ziekenvervoer Ziekenfondswet en het daarbij gehanteerde beleid omtrent de hardheidsclausule.
De rechtbank Maastricht vernietigde het eerdere besluit van VGZ omdat het beleid te strikt werd toegepast en onvoldoende rekening hield met alle relevante omstandigheden. VGZ nam daarop een nieuw besluit dat het bezwaar opnieuw ongegrond verklaarde, waarbij de beoordelingsperiode echter beperkt werd tot 1 juni 2004 tot 31 mei 2005.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat deze beperking onjuist is en dat het bezwaar ook betrekking moet hebben op de periode vanaf 1 juni 2005. De Raad vernietigt het besluit van 4 juli 2006 wegens strijd met artikel 7:11 Awb Pro, maar laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. De Raad overweegt dat ondanks de financiële betekenis van de vervoerskosten, appellante niet in zodanige omstandigheden verkeert dat vergoeding noodzakelijk is en dat de hardheidsclausule niet van toepassing is.
De Raad veroordeelt VGZ in de proceskosten en bepaalt dat het bezwaar tegen het oorspronkelijke besluit vanaf 1 juni 2005 ongegrond wordt verklaard. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het besluit van 28 juli 2004 wordt vanaf 1 juni 2005 ongegrond verklaard en het besluit van 4 juli 2006 wordt vernietigd wegens onvolledige heroverweging.