ECLI:NL:CRVB:2008:BD6151

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juli 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-2690 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant, die sinds 1994 wegens psychische klachten arbeidsongeschikt was, kreeg vanaf 1995 een WAO-uitkering toegekend van 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid. Na onderzoek door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige in 2004 en 2005, besloot het UWV de uitkering per 9 april 2005 in te trekken omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg.

Appellant maakte bezwaar en stelde in hoger beroep dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat zijn psychische klachten hem verhinderen arbeid te verrichten. Ook wees hij op de start van gedragstherapie in 2006 en de latere toekenning van een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering.

De Raad overwoog dat de beperkingen van appellant weliswaar invloed hebben op zijn zelfredzaamheid, maar dat er geen sprake was van volledig onvermogen tot functioneren. Het UWV had rekening gehouden met de beperkingen en op basis van de Functionele Mogelijkheden Lijst waren er passende functies die appellant kon vervullen met minder dan 15% inkomensverlies. De latere toekenning van een volledige uitkering was gebaseerd op een andere medische situatie.

Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering per 9 april 2005 wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

06/2690 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2006, 05/1580 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 1 juli 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. S. van Andel, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2008. Appellant en zijn gemachtigde zijn daarbij niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door drs. F.A. Steeman.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, geboren in 1974, is op 28 november 1994 in verband met psychische klachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als winkelmedewerker. Per 4 november 1995 is hem een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Nadat in december 2004 en februari 2005 een onderzoek is verricht door een voor het Uwv werkzame verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige, heeft het Uwv bij besluit van
14 februari 2005 de WAO-uitkering van appellant per 9 april 2005 ingetrokken onder de overweging dat diens mate van arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% is.
Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt welk bezwaar bij het thans bestreden besluit van 20 juni 2005 ongegrond is verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak is dat beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant gesteld dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest en dat appellant door zijn psychische klachten niet in staat kan worden geacht arbeid te verrichten. Daarbij is er op gewezen dat appellant moeite heeft om medische behandelingen aan te gaan. Tevens is er op gewezen dat in 2006 gedragstherapie gericht op diens paniekstoornis is gestart en dat het Uwv appellant per maart 2006 alsnog volledig arbeidsongeschikt heeft bevonden.
Het Uwv heeft er op gewezen dat de datum waarop appellant met de behandeling startte, is gelegen na de datum in geding.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad ziet geen aanleiding om de bevindingen van het Uwv ten aanzien van de belastbaarheid van appellant onjuist te achten. De Raad onderkent dat appellant diverse beperkingen ten aanzien van diens zelfredzaamheid ondervindt, maar kan uit de ingebrachte gegevens niet afleiden dat er bij appellant sprake was van een volledig onvermogen tot persoonlijk of sociaal functioneren en dat hij in het dagelijks leven volledig afhankelijk was van de inzet van derden. Naar het oordeel van de Raad is er bij appellant dan ook geen sprake van dat hij geen benutbare mogelijkheden heeft. De Raad stelt voorts vast dat het Uwv met diverse beperkingen van appellant rekening heeft gehouden. Dat aan appellant op een later moment wederom een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, maakt dat niet anders; aan dat besluit ligt een andere medische situatie ten grondslag.
De Raad stelt vervolgens vast dat het Uwv op basis van de voor appellant vastgestelde beperkingen zoals die zijn weergegeven in de zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst een aantal functies voor appellant heeft geduid, waarmee het inkomensverlies van appellant, in vergelijking met zijn maatmanloon, per de datum in geding minder dan 15% bedraagt. De Raad acht voldoende toegelicht dat appellant die functies kan vervullen. Het Uwv heeft derhalve terecht de WAO-uitkering per 9 april 2005 ingetrokken. Het hoger beroep slaagt derhalve niet.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende,
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en R.P.T. Elshoff als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij, uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2008.
(get.) H.G. Rottier.
(get.) I.R.A. van Raaij.
RB