ECLI:NL:CRVB:2008:BD6252
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en intrekking bijstandsbesluiten wegens detentie en bijzondere bijstand huurschuld
Betrokkene ontving bijstand sinds 1997 en was van september tot december 2000 gedetineerd. De gemeente Rotterdam besloot in januari 2001 de bijstand over een deel van die periode in te trekken en de kosten terug te vorderen. Tevens werd in april 2001 bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening voor een huurschuld toegekend.
In juli 2005 maakte betrokkene bezwaar tegen beide besluiten, maar de gemeente verklaarde deze niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was en verklaarde de bezwaren gegrond, vernietigde de besluiten en bepaalde dat griffierecht werd vergoed.
De Centrale Raad van Beroep herzag dit oordeel. De Raad stelde vast dat het besluit tot intrekking van bijstand tijdig was verzonden en de bezwaartermijn correct was aangevangen, waardoor het bezwaar te laat was ingediend en terecht niet-ontvankelijk werd verklaard. Voor het besluit tot bijzondere bijstand was de verzending niet aannemelijk gemaakt, waardoor het bezwaar tijdig was ingediend en gegrond verklaard mocht worden. Echter ontbrak procesbelang omdat betrokkene kreeg wat hij had gevraagd. De Raad vernietigde het vonnis voor zover het bezwaar tegen het intrekkingsbesluit gegrond werd verklaard en bevestigde het vonnis voor het bezwaar tegen het bijzondere bijstandsbesluit, waarbij de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.
Uitkomst: Bezwaar tegen intrekkingsbesluit bijstand wordt ongegrond verklaard wegens termijnoverschrijding; bezwaar tegen bijzondere bijstand wordt bevestigd maar zonder procesbelang.