ECLI:NL:CRVB:2008:BD6289
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing beroep op verhoging AOW-pensioen wegens verzekeringsjaren en discriminatie
Appellante ontving een AOW-pensioen van 64% van het volledige bedrag omdat zij minder verzekerde jaren had dan haar echtgenoot, mede doordat zij sinds 1986 in het Verenigd Koninkrijk woont en daar verzekerd was. Zij maakte bezwaar tegen het wegvallen van toeslag op het AOW-pensioen van haar echtgenoot en tegen het niet toekennen van overgangsvoordelen voor bepaalde periodes.
De rechtbank oordeelde dat appellante terecht niet verzekerd was voor de periode na emigratie en dat het wegvallen van de toeslag niet discriminerend was omdat deze aan haar echtgenoot was toegekend. Ook werd vastgesteld dat voor de periode 1954-1956 geen overgangsvoordelen konden worden toegekend vanwege verzekering in het VK.
In hoger beroep handhaafde de Raad dit oordeel. De Raad stelde dat de korting vanwege 'opening credits' in het VK terecht werd toegepast en dat de regeling in overeenstemming is met EU-verordening 1408/71 en het vrije verkeer van werknemers niet belemmert. De klacht over discriminatie faalde omdat het lagere pensioen het gevolg is van minder verzekerde jaren en niet van geslachtsdiscriminatie.
De Raad concludeert dat het beroep ongegrond is en bevestigt de eerdere uitspraak, zonder toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een hoger AOW-pensioen en wijst het beroep af.