ECLI:NL:CRVB:2008:BD6999
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- J.P.M. Zeijen
- R. Kruisdijk
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering wegens afgenomen arbeidsongeschiktheid niet onzorgvuldig gemotiveerd
Appellante ontving sinds februari 2001 een WAO-uitkering vanwege rugklachten, migraine en psychische klachten met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het UWV trok deze uitkering per 19 maart 2005 in, omdat de arbeidsongeschiktheid volgens hen was afgenomen tot minder dan 15%. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door de rechtbank werd afgewezen omdat de medische beoordeling van de bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig en inhoudelijk concludent werd geacht.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de medische grondslag onvolledig was, omdat de bezwaarverzekeringsarts niet rechtstreeks informatie had ingewonnen bij haar geestelijke gezondheidszorginstelling De Grote Rivieren. Ook stelde zij dat haar rugklachten onvoldoende waren meegewogen en dat de arbeidskundige beoordeling van de passende functies onvoldoende was gemotiveerd.
De Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, mede doordat informatie via de huisarts van appellante was verkregen van de sociaal psychiatrisch verpleegkundige De Kock. Er was geen objectief medisch bewijs dat de beperkingen waren onderschat. De Raad vond dat de arbeidskundige motivering aanvankelijk onvoldoende was, maar dat een later ingediend rapport deze tekortkoming deels herstelde. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit wegens een ondeugdelijke arbeidskundige grondslag, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand.
Tot slot veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante in hoger beroep en tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens ondeugdelijke arbeidskundige motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.