ECLI:NL:CRVB:2008:BD7005
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidskundige motivering
Appellant, werkzaam als vetsmelter, kreeg vanaf 1986 een volledige WAO-uitkering die in 1995 werd ingetrokken. Na ziekte en herbeoordeling ontving hij vanaf 1998 opnieuw een WAO-uitkering, die in 2005 werd ingetrokken op basis van een arbeidskundig rapport met een verlies aan verdienvermogen van circa 6,5%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze intrekking ongegrond, waarbij zij de medische grondslag onderschreef en de arbeidskundige motivering voldoende achtte. Appellant stelde in hoger beroep dat de functionele beperkingen onvoldoende werden weergegeven en dat de functies niet adequaat waren gemotiveerd.
De Raad oordeelde dat de medische grondslag voldoende was, maar dat de arbeidskundige motivering pas in hoger beroep op een juiste wijze was gegeven. De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit, verklaarde het beroep gegrond, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van appellant voor zowel beroep als hoger beroep, en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellant wordt vergoed.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende arbeidskundige motivering, het beroep wordt gegrond verklaard en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.