ECLI:NL:CRVB:2008:BD7294
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewijzigde voortzetting WAO-uitkering ondanks betwiste beperkingen
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering, berekend op een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, ongewijzigd voort te zetten. Hij stelde dat zijn medische beperkingen groter waren dan vastgesteld en dat de geselecteerde functies niet geschikt waren voor zijn situatie. Tevens voerde hij aan dat hij sinds zijn ziekmelding op 20 december 2004 volledig arbeidsongeschikt was, wat volgens hem ook voor de datum van 1 februari 2004 zou moeten gelden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat appellant zijn stellingen onvoldoende had onderbouwd met medische stukken en dat de rechtbank de grief over onderschatting van beperkingen adequaat had gemotiveerd. Het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige gaf duidelijk aan waarom de geselecteerde functies geschikt waren.
Verder stelde de Raad dat de verergering van klachten na een val in september 2004 de reden was voor de volledige arbeidsongeschiktheid na 20 december 2004, en dat dit geen aanleiding gaf om de situatie per 1 februari 2004 anders te beoordelen. Het hoger beroep faalde, en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de ongewijzigde voortzetting van de WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 25-35%.