ECLI:NL:CRVB:2008:BD7294

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 juli 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-966 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongewijzigde voortzetting WAO-uitkering ondanks betwiste beperkingen

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering, berekend op een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, ongewijzigd voort te zetten. Hij stelde dat zijn medische beperkingen groter waren dan vastgesteld en dat de geselecteerde functies niet geschikt waren voor zijn situatie. Tevens voerde hij aan dat hij sinds zijn ziekmelding op 20 december 2004 volledig arbeidsongeschikt was, wat volgens hem ook voor de datum van 1 februari 2004 zou moeten gelden.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat appellant zijn stellingen onvoldoende had onderbouwd met medische stukken en dat de rechtbank de grief over onderschatting van beperkingen adequaat had gemotiveerd. Het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige gaf duidelijk aan waarom de geselecteerde functies geschikt waren.

Verder stelde de Raad dat de verergering van klachten na een val in september 2004 de reden was voor de volledige arbeidsongeschiktheid na 20 december 2004, en dat dit geen aanleiding gaf om de situatie per 1 februari 2004 anders te beoordelen. Het hoger beroep faalde, en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de ongewijzigde voortzetting van de WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 25-35%.

Uitspraak

06/966 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 3 januari 2006, 05/390 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 11 juli 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2008. Namens appellant is verschenen mr. S.T. Dieters, kantoorgenoot van mr. Van Asperen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. P. Belopavlovic.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 7 maart 2005 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 februari 2004, waarin de aan appellant toegekende WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, ongewijzigd is voortgezet, ongegrond verklaard.
1.2. Het door appellant ingestelde beroep tegen het bestreden besluit is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
2.1. Namens appellant is in hoger beroep – samengevat – aangevoerd dat hij medisch meer beperkt is dan door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts aangenomen en dat de geduide functies niet tegemoet komen aan de beperkingen van appellant. Voorts is vermeld dat appellant inmiddels naar aanleiding van zijn ziekmelding op 20 december 2004 volledig arbeidsongeschikt wordt geacht. Appellant stelt zich op het standpunt dat de situatie op dat moment niet anders was dan ten tijde van de datum in geding, te weten 1 februari 2004.
3.1. In hetgeen appellant naar voren heeft gebracht, heeft de Raad geen aanleiding gevonden om tot een ander oordeel te komen dan door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is neergelegd. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de – in hoger beroep herhaalde en niet met nadere medische stukken onderbouwde – grief dat de beperkingen van appellant zijn onderschat, in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die grief niet kan slagen.
3.2. De Raad is voorts, met de rechtbank, van oordeel dat in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige H.G. Coerts van 4 maart 2005 op duidelijke en juiste wijze is weergegeven waarom de geselecteerde functies voor appellant geschikt zijn.
3.3. Het feit dat appellant naar aanleiding van zijn ziekmelding op 20 december 2004 volledig arbeidsongeschikt wordt geacht, betekent niet dat appellant reeds met ingang van 1 februari 2004 meer beperkt moet worden geacht dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad baseert zijn oordeel op door het Uwv ingezonden brieven van de behandelende neurochirurg, waaruit blijkt dat de verergering van klachten is veroorzaakt door een val in september 2004.
3.4. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2008.
(get.) J. Brand.
(get.) W.R. de Vries.
JL