ECLI:NL:CRVB:2008:BD7298
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering na medische herbeoordeling
Appellant ontving sinds 30 juli 2001 een WAO-uitkering wegens psychische klachten met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het UWV besloot op 23 september 2005 de uitkering te beëindigen per 24 november 2005, omdat appellant geschikt werd geacht voor gangbare arbeid. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd op 21 februari 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond, waarbij zij geen twijfel zag aan de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en de geschiktheid voor de voorgehouden functies voldoende gemotiveerd achtte.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn psychische beperkingen, waaronder sociale angst en depressie, door het UWV waren onderschat en dat hij niet in staat was lopendebandwerkzaamheden te verrichten. De Raad overwoog echter dat er geen aanleiding was tot twijfel aan de medische beoordeling en de beperkingen zoals neergelegd in de FML. De Raad achtte appellant in staat om de functies van productiemedewerker industrie, huishoudelijk medewerker gebouwen en huishoudelijk medewerker te vervullen.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens zag de Raad geen reden voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter J. Brand op 11 juli 2008, in aanwezigheid van griffier W.R. de Vries.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat appellant geschikt wordt geacht voor gangbare arbeid.