ECLI:NL:CRVB:2008:BD7410
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering met ingang van 6 februari 2006 in te trekken. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV een juiste medische beoordeling had verricht en dat de geduide functies in overeenstemming waren met de beperkingen van appellant.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen waren onderschat, met name omdat alleen informatie over zijn cardiale problematiek was opgevraagd en niet over zijn whiplash-klachten. Ook stelde hij dat de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende had gerapporteerd over zijn nekklachten en wees op de toekenning van een ziektewetuitkering per 1 september 2006.
De Raad wees het aanbod af om nieuwe medische stukken in te brengen, omdat deze geen nieuw licht op de zaak zouden werpen. De Raad vond dat appellant met de aangenomen beperkingen op de datum van het besluit in staat was de geduide functies te verrichten. De latere toekenning van een ziektewetuitkering betekende niet dat de beperkingen per 6 februari 2006 hoger waren dan aangenomen.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep faalde en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De medische beoordeling was zorgvuldig en de Functionele Mogelijkheden Lijst was correct ingevuld, waarbij toelichtingen geen verborgen beperkingen inhielden.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 6 februari 2006 wordt bevestigd wegens voldoende medische grondslag.