ECLI:NL:CRVB:2008:BD7509
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beoordeling wekeneis voor WW-uitkering bij ziekteperiode werknemer
Appellant had een WW-uitkering die werd beëindigd na indiensttreding bij een werkgever. Tijdens de referteperiode was appellant meerdere weken ziek. Het geschil betrof de vraag of de weken waarin appellant ziek was, maar mogelijk toch arbeid verrichtte, meegeteld konden worden voor de wekeneis van 26 gewerkte weken binnen 39 weken.
De rechtbank had geoordeeld dat weken waarin appellant ziek was in principe niet meetellen, tenzij appellant op eenvoudige en verifieerbare wijze aannemelijk maakt dat hij ondanks ziekte heeft gewerkt. Appellant slaagde hier niet in voor de weken 1-7 juni en 29 juni-5 juli 2001. In hoger beroep stelde appellant dat hij wel had gewerkt in genoemde weken, onder meer door het overleggen van een ondertekend reglement spaarloonregeling en het maken van afspraken.
De Raad overwoog dat op grond van de WW en de relevante artikelen weken van ziekte in principe niet meetellen. Voor de week 1-7 juni achtte de Raad het niet onaannemelijk dat appellant heeft gewerkt, maar voor de week 29 juni-5 juli kon appellant geen bewijs leveren. De stelling dat afspraken in die week zijn gemaakt was onvoldoende om arbeid aannemelijk te maken.
Daarom is het beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WW-uitkering bevestigd.