Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2008:BD7559

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juli 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/4698 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWerkloosheidswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering en boete wegens niet-naleving informatieplicht WW-uitkering

Appellant ontving vanaf 5 januari 2004 een WW-uitkering en kreeg toestemming voor een proefplaatsing bij een werkgever van 1 april tot 30 juni 2005, gevolgd door een tweede proefplaatsing tot 1 oktober 2005. Het UWV herzag de uitkering per 1 juli 2005 omdat appellant niet had gemeld dat hij een nieuwe proefplaatsing was gestart zonder toestemming. Tevens werd een boete opgelegd wegens het niet verstrekken van volledige informatie.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat hij geen gronden aanvoerde tegen de terugvordering en de boete terecht was opgelegd. Appellant had vanaf juli 2005 geen melding gemaakt van de werkstage en had onjuiste verklaringen afgelegd over zijn werkzaamheden.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn eerdere stellingen dat de proefplaatsing in overleg met het re-integratiebureau was gerealiseerd en dat hij ervan uitging dat het UWV hiervan op de hoogte was. De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat het UWV terecht had gehandeld bij terugvordering en boeteoplegging.

De Raad wees tevens een verzoek om vergoeding van proceskosten af en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering en boete worden bevestigd.

Uitspraak

07/4698 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 27 juni 2007, 07/171 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 9 juli 2008.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2008. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Nicolai, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2.1. Aan appellant is met ingang van 5 januari 2004 een WW-uitkering toegekend. Bij besluit van 12 april 2005 heeft het Uwv aan appellant toestemming verleend om in het kader van een proefplaatsing in de periode van 1 april 2005 tot en met 30 juni 2005 met behoud van WW-uitkering te gaan werken bij [naam werkgever]. Na het einde van deze proefplaatsing heeft appellant aansluitend een tweede proefplaatsing aanvaard tot 1 oktober 2005 op een andere afdeling bij dezelfde werkgever.
2.2. Bij besluit van 6 september 2006 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant per 1 juli 2005 herzien op de grond dat hij niet aan het Uwv heeft gemeld dat hij aansluitend aan zijn proefplaatsing, welke liep tot en met 30 juni 2005, getracht heeft een nieuwe proefplaatsing aan te gaan. Nu hij hiervoor geen toestemming heeft gekregen van het Uwv moeten deze werkzaamheden gekort worden op zijn uitkering met als gevolg dat die uitkering per 1 juli 2005 is geëindigd. Bij besluit van 27 september 2006 heeft het Uwv de onverschuldigd betaalde WW-uitkering over de periode van 27 juni 2005 tot en met 11 september 2005 tot een brutobedrag van € 3.470,05 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 27 september 2006 heeft het Uwv aan appellant een boete opgelegd van
€ 352,-- op de grond dat hij zijn verplichting om informatie te verstrekken aan het Uwv niet is nagekomen. Bij besluit van 22 december 2006 (het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 27 september 2006 ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Met betrekking tot de terugvordering heeft de rechtbank overwogen dat het beroep ongegrond is, omdat appellant hiertegen geen gronden heeft aangevoerd en ook anderszins niet van de onjuistheid van het besluit is gebleken. Ten aanzien van de opgelegde boete heeft de rechtbank overwogen dat appellant vanaf het eerste werkbriefje na afloop van de proefperiode waarvoor toestemming was verleend, zijnde juli 2005, geen melding meer heeft gemaakt van de werkstage en de gewerkte uren, terwijl appellant wel steeds vier sollicitaties per werkbriefje heeft opgegeven. Daarnaast heeft appellant op verzoek van het Uwv schriftelijk verklaard geen informatie over de tweede proefplaatsing te kunnen verstrekken omdat hij in die periode niet gewerkt zou hebben, wat nadien strijdig is gebleken met de werkelijkheid. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat appellant nagelaten heeft alle informatie te verstrekken die van belang is om de juiste uitkering te kunnen vaststellen. Daarbij heeft de rechtbank erop gewezen dat eventuele afspraken van appellant met het re-integratiebureau en de nakoming daarvan voor risico van appellant komen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv gehouden is een boete op te leggen. Nu niet is gebleken van een dringende reden op grond waarvan het Uwv van het opleggen van een boete had kunnen afzien, kan het bestreden besluit in rechte stand houden.
4. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden, onder herhaling van de gronden die hij reeds in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Hij heeft daarbij gesteld dat hij in overleg met zijn begeleider bij het re-integratiebureau de proefplaatsing heeft gerealiseerd en dat hij ervan uitgegaan is dat dit door het re-integratiebureau met het Uwv geregeld zou worden.
5.1. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en hij overweegt daartoe als volgt.
5.2. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat een herhaling van hetgeen hij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. Hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen onderschrijft de Raad volledig. Hierin ligt besloten dat ook de Raad van oordeel is dat het Uwv op goede gronden tot terugvordering van de WW-uitkering van appellant over de periode van 27 juni 2005 tot en met 11 september 2005 en tot oplegging van een boete heeft besloten.
5.3. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.A. Reinders als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2008.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) M.J.A. Reinders.
RH