ECLI:NL:CRVB:2008:BD7602
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.M. van de Kerkhof
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van korting op WAO-uitkering wegens inkomsten uit arbeid zonder bijzondere omstandigheden
Appellant ontvangt sinds 5 november 2001 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Het UWV stelde op grond van een rapport werknemersfraude vast dat appellant in de periode van 1 mei 2003 tot en met 30 november 2003 werkzaamheden verrichtte bij een bedrijf en inkomsten genoot. Dit leidde tot een besluit van 19 mei 2005 waarbij de WAO-uitkering werd verlaagd naar een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde dat hij geen werkzaamheden had verricht en dat sprake was van persoonsverwisseling. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV voldoende bewijs had geleverd, onder meer door verklaringen van de werkgever en getuigen, en dat medische klachten geen belemmering vormden voor het verrichten van werkzaamheden.
In hoger beroep heeft appellant opnieuw betwist dat hij werkzaamheden verrichtte en overgelegd dat de werkgever zijn eerdere verklaringen had ingetrokken. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat aan latere intrekkingen van verklaringen geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend zonder bijzondere omstandigheden. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde de korting op de WAO-uitkering.
De Raad vond geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en bevestigde de aangevallen uitspraak, waarmee het hoger beroep werd afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de korting op de WAO-uitkering wegens het verrichten van werkzaamheden en het genieten van inkomsten.