ECLI:NL:CRVB:2011:BU6392
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt boeteoplegging wegens niet informeren over zwijgrecht bij WW-uitkering
Appellant ontving vanaf april 2006 een WW-uitkering. Het Uwv stelde na onderzoek vast dat appellant werkzaamheden verrichtte in het autobedrijf van zijn neef, wat invloed had op zijn recht op uitkering. Het Uwv herzag de uitkering met terugwerkende kracht, vorderde onverschuldigde betalingen terug en legde een boete op wegens het niet nakomen van de inlichtingenverplichting.
Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, met name tegen de boete. De rechtbank stelde de boete bij en oordeelde dat appellant pas vanaf januari 2008 een verwijt kon worden gemaakt. In hoger beroep stelde appellant dat hij tijdens het verhoor niet was gewezen op zijn zwijgrecht, waardoor de verklaring onrechtmatig was verkregen en niet gebruikt mocht worden voor de boeteoplegging.
De Raad oordeelde dat het gesprek van 22 september 2008 gericht was op vaststelling van het recht op uitkering en niet op strafoplegging, waardoor het zwijgrecht niet van toepassing was. Echter, omdat de boete nagenoeg uitsluitend gebaseerd was op de verklaring van appellant tijdens dat verhoor, en hij niet was gewezen op zijn zwijgrecht, moest die verklaring buiten beschouwing worden gelaten. Hierdoor kon de boete niet gehandhaafd blijven en werd deze vernietigd.
De overige besluiten over herziening, terugvordering en re-integratie werden bevestigd. Het Uwv werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: De boete wegens niet nakomen inlichtingenverplichting wordt vernietigd wegens het niet informeren over het zwijgrecht; overige besluiten worden bevestigd.