ECLI:NL:CRVB:2008:BD7628
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering na zorgvuldige verzekeringsgeneeskundige beoordeling
Appellante, geboren in 1958, was oorspronkelijk in het bezit van een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Na een vijfdejaars herbeoordeling door een verzekeringsarts werkzaam voor het UWV, concludeerde het UWV dat appellante in staat was haar eigen werkzaamheden als schoonmaakster en andere geduide werkzaamheden te verrichten. Op basis daarvan werd haar WAO-uitkering per 8 december 2003 ingetrokken.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het UWV verklaarde dit bezwaar bij besluit van 17 maart 2005 ongegrond. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante eveneens ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat het UWV de eerdere urenrestrictie niet zonder nadere onderbouwing mocht loslaten en dat haar klachten, waaronder psychische klachten en de ziekte van Ménière, niet waren verbeterd maar zelfs verergerd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat het UWV rekening had gehouden met alle beschikbare medische informatie, waaronder die van de behandelend KNO-arts. De Raad vond geen aanleiding om een urenbeperking aan te nemen. De door appellante ingebrachte rapportage over haar arbeidsmogelijkheden bevestigde juist dat zij geschikt was voor reguliere arbeid, mits met intensieve begeleiding vanwege sociale problemen. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees de vordering van appellante af.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering van appellante wordt bevestigd na een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek.